Wednesday, April 26, 2017

Appels en peren

"Het meest onbeduidende lijntje,
Haar probeer ik te ontdekken,
Van grote afstand, gedisassocieerd,
Zie ik het heel duidelijk,
Maar wil een detail dat als vanzelfsprekend zwijgt tussen ons vinden,
Een die deze plank niet kan missen,
Simpel weg omdat ze nergens op slaat,
Het was niet gemakkelijk,
Ik val immers precies zoals ik praat,
Van de hak op de tak,
Zoekende naar of peren van appelbomen misschien niet vallen maar duiken,
Om aan de goede kant van het gras te landen, ongeacht de kleur,
Toch blijven de gedachtes vertakken,
Het is hier altijd een kippenhok,
Kan me nog goed herinneren wanneer het besef kwam,
Dat ik een licht peertje bleek te zijn,
Zij werd aangezet door je kakelen,
Jaren geleden toen dit kind nog een kind was,
Deed ik haar na, precies hetzelfde geluid,
Pekok, zo doet een kip, ze tokken niet als je maar goed luistert,
Een draai om mijn oor omdat ik niet kon luisteren,
En een drietal aan slechtgezinde thuis genoten, genieten van hun schaterlach,
Je bent zelf een kip zonder kop,
Daarom moet je horen, ze doen tok,
Maar ik pikte haar niet, het haantjesgedrag,
Ik wist niet eens hoe graag ik een peer had willen proeven in een wereld vol appels,
Tot ik jouw voor appel vergiste,
Je tokken zonder tok,
Trekt mijn analyseren naar verkeren in volledig ongeloof,
Ik vind het ook lastig te luisteren,
Maar ik hoor wel,
Dat alle lijntjes die ik leg,
Eigen kijk zeggen,
Ook als zij niet versproken zijn,
Droom ik graag in gedachte van gesmoorde peertjes,
Zij zijn toch ook zo veel lekkerder,
Vergeleken bij kip met appel moes(t),
Dat valt zo zwaar op de mag."

Tuesday, April 25, 2017

X.

"Dat ik de naam moeder niet zal krijgen,
Al in geen tijden meer een dochter ben geweest,
Dat ik twijfel of een hem me wel ooit geliefde wil noemen,
Wanneer ik stilzwijgend blijk,
In het vervullen van de twee als meest vanzelfsprekende rollen,
Dat ik hoop haar nooit te horen,
"Jij hebt zeker geen kinderen?",
Omdat ik haar nooit zou stellen,
Mocht ik maar zo onbezonnen zijn,
Dat je mijn tranen op je buik mag zien als blijdschap,
Dat zij de dromen over je droom mogen schoonspoelen tot kraakhelder geluk,
Je haar nooit ziet als het wegspoelen van bloed,
Waarvan ik me afvraag starend naar het doucheputje,
Zou jij, mijn kind, gevangen door het dekbed,
Nog voor mijn wakker schrikken,
Een hem of haar zijn geweest,
Dat je niet uit elkaar valt,
Tussen de wc en de gootsteen,
Omdat je lichaam niet genoeg te bieden heeft voor twee,
Dat je niet mag twijfelen aan hoe je op moet staan,
Al is het enkel voor jezelf,
Één been, per keer,
Dat ik de naam moeder niet ga krijgen,
Al in geen tijden meer een dochter ben geweest,
Dat je mijn naam met liefde uitspreekt, ook als ik nooit een haar of beter ben geweest."

Tindell-effect

"Onderhuids bindweefsel,
Daar ligt het verschil van vorming,
De een vervalt snel,
De ander blijft gestaag onbewogen,
Heb veelal overwogen,
Onder welke soort ik val,
Dacht immers dat diagnoses niet liegen,
Maar bedrieglijk is zij wel,
Zelfs je lichtste aanraking,
Drukt als onhandig zonder herinneringen,
Het gehele spectrum aan kleuren door,
Tot in de verste verte lief ik je liefheid,
Of hij me nu bond en blauw of zij me perzik zacht gestreeld achterlaat,
Het is niet alleen de noten die je schrijft op mijn huid,
Maar de klanken die zij trillen binnenin,
Zij manouvreren zich tot diep in iedere celkern,
Zelfs daar, laten zij zonder dat ik haar bewust mee maak,
Constant afdrukken achter,
Als de mooiste consequentie,
Van onze lichamelijke imperfecties."

ESC BUTTON

"En als er een moment komt,
Waarop gaan niet meer de beste optie blijft,
Laat haar dan vertrekken in een druk op de noodknop,
Als er een moment komt,
Dat alle zichtbare beschermingsmechanisme verdwenen zijn,
Verdwijn dan niet in de gedachte,
Dat ze daar niet nog altijd zullen leven,
Wanneer de bergen aan herrie makers voor de hij iemand die te dichtbij mijn heiligheid stapt,
Voor jou gestapeld zijn tot een kast van een vent,
Vraag me dan niet direct om een la,
Klaag dan niet over hoe het bed er bij ligt, laat haar sluimeren, 
Want ik mag haar rommelig en maar te beslapen aan een kant,
Tekeningen zijn aanwijzingen hier,
Foto's zijn lijstjes en tassen zijn als het tossen van een munt,
Alles is tot in de puntjes uitgestippeld,
Mocht ik ooit slaan, wellicht vaker op niets dan op de vlucht,
Voor het geval dat mijn blinddoek zich voorbind,
Mijn voeten rennen zonder stop,
"Kom jij me dan zoeken?"
"Weet je nog hoe mijn raadsels werken?"
"Woorden worden cijfers en cijfers zijn cijfers tot zij opgeteld aftrekbaar zijn tot herinneringen."
Gevangen in lijstjes die niet te doen zijn ondanks hun inzichtelijkheid,
Opgespijkerd aan de muur zonder kruis maar altijd koploper van mijn marathon,
Maak ze niet open de raadsels, ze zijn om te ontleden door gedachte Gang,
"Acht deuren, zeven kamers, zes tassen, welke tas neem je mee?"
"Geen een, want de zes kamers worden bezet door andere mensen, in de zevende ben jij, je tas vergeten ergens onderweg, de achtste is de nooduitgang,"
Al is de nood groot, zelfs bij vertrek neem ik altijd de ingang,
Voor een nieuwe start."