Tuesday, September 17, 2019

Ams.

"Het was er nooit stil hoeveel er ook gezwegen werd. De ogen zo vol van. De tranen overduidelijk. Het haperen van de stem en stilvallen tijdens het bekijken van het beeld.
Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie houdt mijn, mijn hand?
Hij was triest en zoekende. Heeft veelvoudig gelogen zonder weet, wanneer hij opperde dat hij mij gevonden heeft. Het veranderde niets. Hij veranderde. En dat was alles.
Het was een zoektocht die leven, Kundera beschreef het als geen ander, er is geen repetitie, alleen de dans.
De weg was kort, de weg was lang, en altijd kwam de man, weer boven water.
Het was een uitzonderlijke tijd zonder enige uitzondering. Het was alles behalve normaal maar behoorde der halve alsnog tot het dagelijkse.
Hij keek graag, lang en diep, soms leek het dwars door, op zoek naar het alomvattende antwoord. Er is er geen. Er is geen spiegel die hem influisterd wie hij werkelijk is. Maar er zijn beelden. Van zij die naast, de woorden spreken. Van geloof, hoop, liefde.
Welke ogen, worden nooit oud, in de spiegel? Welke handen blijven altijd warm welkomend hoe koud de reflectie dan ook?
Hij stotterde in die tijd. De keel zong woorden tot trillerige liedjes van had geprobeerd te zeggen.
"Wij... Wij... Zouden zo..."
"Ik kan niet meer kijken het, het, is te..."
En wij kijken toch. Een mens blijft altijd turen, turen naar het beloofde land."

De beloofde koelkast smolt zelfs voor je. 

Monday, September 16, 2019

X

"Lustrum zei ze graag, elk woord dat in een Zweedse puzzel gebruikt kon worden, nam ze graag op in de dagelijkse conversatie.
Zij zat daar dan, in haar eentje, het laatste straaltje zon te genieten op haar tuinstoel, te trekken aan een sigaret.
Er waren weinig momenten waarop je ze voor jezelf alleen kon hebben. Wellicht was ik altijd een egoïst, ben niet goed in delen wanneer het over tijd met mijn liefste gaat.
Ik zocht haar dan op, ging op mijn knieën op de klinkers zitten en boog mij voorover tot mijn gezicht precies in haar schort begraven was. Zij werkte altijd van links naar recht ieder strookje haar af. Kriebelde mijn hoofd wel drie menthols hijsende lang.
Zij had zulke grote eeltknobbels van het werken als notulist op de bank, de enters, van de typemachine. Daarmee kon zij precies ieder plekje zo strelen dat het glimlachen tot schaterlachen getoverd werd.
Er was geen verlies of verdriet op de wereld, dat haar mismaaktheden, niet goed konden maken met een kwartier haffelen.
Mijn grootmoeder was een gebrekvolle vrouw, en nooit daarvoor en niet daarna, ontmoette ik ooit iemand, die haar gebreken zo feilloos als perfectie dragen kon.
Soms zat zij eraan te pulken met een oud versleten aardappelmesje dat ook werd gebruikt voor het uitkrassen van plukkem en mos. Later, gooide ik, ieder mesje dat mijn handen konden vinden weg. Ik heb het nooit bekend, maar als zij daar dan zat en hoofdschuddend zei, dat ik op hem leek, dan wist ik het wel, dat zij het wist.
Soms droom ik, dat ik eelt knobbels krijg op de vingers en handen, zo groot als potloodpunten en zo breed als het gummetje aan de achterkant. Dat hij dan zegt wanneer het de beurt is aan de rug van de Rus, doe het met je topjes, zodat ik zeker weet, dat elk mensenleven, al is het maar in handen of woorden, doorgegeven wordt."

X

"Ik weet nog, de tijd, waarin wij 'schipper mag ik overvaren?' speelde, toen wij limbodansende de straten met de handen in de jaszakken verscholende al half beschonken en half nuchter voorbij liepen met de onbezonnen hoop.
Ik weet nog, de dagen, waarop wij aan het bed gekluisterde elkaar verhalen vertelde over "op een dag" alsof morgen een belofte en over "toen ik nog" alsof vandaag een gegeven.
Ik weet nog, de jaren, waarin wij dragen van ver voorzagen maar nooit aan elkaar plakte als een aftel, het liever als som, opdat pedanten graag rekenen en weten en zeker, wezen.
Ik weet nog de tijd, waarin wij 'hals over kopje' elke koffie vergaten tot zij koud, omdat de eerste slok deed denken aan de honing zoete druppels van tehé.
Je leek soms jonger. Als een kind dat op vakantie. Als een tiener die voor het eerst vol verbazing en overgave maar zo zenuwachtig. Als een twintiger die stuurloos het roer overdroeg aan de golven van geloof, hoop en liefde.
Je leek soms ouder. Als een bejaarde die uitzichtloos zijn geraniums bekritiseerd. Als een verplicht gepensioneerde op zoek naar een nieuwe zin omdat geven altijd het grootste. Als een ijzeren man die vervangen werd door een machine.
Ik weet nog de tijd, waarin wij twee meters afstand op de bank tot voorspel rekende, al gedachte spelende over de kieteldood, de knuffeldood, of een liefdesdiabetes.
Ik weet nog de tijd, toen hij bestond, als meester als heerser als hardleerse.
Ik ken nu de tijd, waarin tikken de man, het slaan van het uur ons en het op ik, zijn.
Ik ken nu de tijd, waarin slaap kostbaar en dromen ontwakende in het ontwapenende van warm wakker worden wanneer.
Ik ken nu de tijd, waarin hou me vast dagenuitstrekkende als de armen in de morgen en ik ook van jou."

Saturday, September 14, 2019

X

"Op een dag liepen wij over een begraafplaats in Amsterdam.
Zij vertelde mij dat wanneer er niemand naar de begrafenis komt, er op zijn minst de dichter nog is, om van troost te spreken.
Er is niks angstaanjagender dan weten, dat ik de dichter, ook sterven zal en zelfs de dichter, dan, geen woorden meer heeft."