Wednesday, October 18, 2017

"Scardifoldat."

"Gisteren zag ik het hert de wolf kussen,
Dat, zij, een gevaarlijk spel is,
Het hart klopt al, op voor hand,
Zij, slaat, uit zinnen, over, al op in aan,
Jij, weet nooit wat je te wachten staat,
Al zou het geschreven zijn, dan nog, zij wacht niet,
Immer meer gaat, zij, enkel, om lopen,
De enkels, dat zij, mogen komen, uit, voort bewegen,
Laat hen, stappen, zij, kennen de weg, al,
Immer zo veel, meer, ik zweer,
Gisteren nog, zag ik haar stroom zojuist om de hoek,
Zij, slaat niet af, ver drijft, het, niet,
Zij, kronkelt door, stoomt over van levens, lust, licht, 
De patronen, enkel de patronen nog maar,
Boven, rechtsonder, middenlinks terug,
Boven, rechtsonder, middenlinks terug,
Gisteren, hoorde ik de wolf een ode brengen aan het hert,
Al zal de maan van onze Hemel vallen, neerdalen alsof haar laatste duister het licht van zijn Zon niet kon bereiken in een laatste poging,
Vannacht, zal de wolf naar het hert huilen, haar zijn ode brengen,
Opdat het kan, opdat zij mag,
Opdat ik zweer, dat ik gisteren,
Het hert de wolf zag kussen,
Alsof zij geen regels kent."

"Ah gigue bagelou bagelou"

"Onze eerste liefde, het is niet dat zij automatisch gemaakt zijn, ons leven met ons te blijven,
Maar ook als zij vertrekt, dan nog, altijd, is bij ons,
Draagt mijn iedere dag haar herinnering mee,
Enkel het eerste geluid toverde een glimlach op mijn gezicht, het licht in de kamer veranderd, wanneer jij aanwezig bent,
De kleuren zo zichtbaar, alsof zij neervallen als herfstbladeren op het moment dat ook jouw aanwezigheid in de ruimte langzaam maar zeker wegsterft, 
Jij was er wanneer niemand luisterde, hoorde mijn stem, nog voor ik haar bezat, 
Jij trok mij door slapeloze en bange nachten heen alsof het horen van troost, nog voor haar voelen, zo vanzelfsprekend was,
Jij hield me vast, dag en nacht,
Ik was gekluisterd aan je ritme en jij toonde telkens de tijd, tikte iedere seconde om mij te herinneren,
Ook kleine mensjes, hebben een groot hart,
Dat het klopt, betekend niet altijd dat het hoort, mijn wereld zo klein, had nooit de mijne mogen zijn, toch graag fluister ik je toe, 
Onze eerste liefde, het spijt me, was nooit een mens,
De eerste liefde, ligt immer zo veel meer, in de wens,
Door haar, in haar ogen, gekend te zijn,
Zij is niet altijd hier, aanwezig om ons leven lang te delen, maar al vertrekt zij, hoe de afwezigheid bij het herinneren van een glimlach doet verschijnen, de eerste, blijft toch altijd."

Sunday, October 15, 2017

"Apollo ruiker."

"Dat Proust het bij het verkeerde eind had, ik zegt niet dat zij vast zou moeten staan, maar het open, 
De discussie, laten wij haar vallen,
Ik wil je de woorden van de tong bijten, ieder vraagteken afbreken tot zij enkel een komma lijkt,
Opdat het gesprek altijd lopen blijkt, wanneer de wandelgang haar naam blijft noemen, wanneer de gang je stappen echoot,
Hier loopt de ongetrouwde echtgenoot, het niemandsland van haar hand, in, vast houden, 
Hoeveel we ook uitgesloten wordt het enige dat besluit, zijn de sloten waar wij niet aan sleutelen,
Dat de deur nooit in een keer sluit, wanneer jij haar niet met geweld dicht trekt, liever toch, tegen de huid aan, ik smeek je,
Druk zonder einde op de knoppen, laat het rinkelen van haar geluid nooit en te nimmer over gaan, opdat het de potten niet schaad als de vaas gevuld is,
De vorm maakt haar niets, zoals zij maar mag kiezen tussen bloeien en bloedden, 
De vorm, zij houdt alles in,
En toch, altijd, de vorm, maakt haar niets."

"Αρχάγγελος."

"Dat zij soms verschijnen,
Lijkend op de mens, bijna onnavolgbaar in hun vervorming,
Maar gevuld met een onontkoombare hoeveelheid licht die zij gekluisterd meedragen, 
De balans behouden tussen boodschapper en lichtdrager, het stralen uitdragen weegt zwaar op de menselijke botten, die eens zo veel vaker breken dan genezen zijn,
Opdat pijn wegnemen altijd gepaard gaat met het doorgeven van een deel van je helende kracht,
Het benauwd de lichtwerkers, ik weet toch de onderwerpers zij zijn niet gewillig te luisteren,
Maar hoor mij, mijn kind, mijn man, mijn geliefde, mijn trouw, mijn belofte is de jouwe, droom voor me, fluister haar beelden zachtjes in mijn oor,
Ik zal het verhaal van haar verschijning met de vingers op de ruggenwervels graveren,
En jouw dagen, zullen en eindeloze lente worden, het licht van drie levens de duisternis kapot laten schijnen, en de vragen omdraaien tot wijsheid,
Dat het licht dat zij meedragen een bovennatuurlijke kracht bezit die zich losmaakt van de natuurwetten, hen erboven stelt door dat aan te kunnen raken, mogelijk te maken, waar geen mens ooit is geweest,
Of ik een genezer ben, een engel,
Mijn lief, ik zweer je op het hart,
Ik raak je aan met mensenhanden, 
Opdat de kloppendheid voor het alles, enkel de mens wil voelen, als zij, het jouwe mag aanraken, 
Dat zij enkel bewegen, wat al vaststond in het geschreven woord, lees de lijnen mijn liefste, en zij zullen je spreken zoals het toebehoren luistert naar dat wat hoort."