Tuesday, February 13, 2018

"Je hebt toch ook geen pakje nodig."

"En als je me blijft vragen of er dit jaar ook weer zo een schrijf,
Of ik haar ooit na lees van de storm, of de zee,
En hoe vaak je me ook vraagt op je bootje, en wij zinken met het schip,
Wanneer je twijfelt, over de waarde,
Of wel en wat als, hoe dan en waarom,
Als je piekerd, over vragen of overvragen, mijn liefste, ik weet het toch ook niet,
Alles wat ik weet, is dat ik ken, en zij kunnen grappen maken tijdens de wijn, over de muziek en welke kleur mijn sokken vandaag zijn, mannen aanwijzen aan het einde van de bar en zeggen dat alleen zijn voor watjes is, wanneer er zo veel vissen zijn in de zee,
En ik kijk naar mijn schoenen, herinner mij dat ik voor jou enkel ritsen en klittenband had, tot jij het mijne strikte, glimlach naar de gedachte aan je en schud nee,
Ik denk dat het moedig is alleen te durven blijven in een wereld gebouwd op deelbaar door twee, ik denk dat je dapper bent toe te geven dat je meer waard bent dan wat je altijd al kreeg,
Ik denk, dat er vissen te veel zijn die me aan je zouden doen denken, maar eerlijk, er is er geen een als jij.
En jij, bent altijd mijn Nemo. En hoe vaak ik je ook verlies, wat aan afstand, tijd, hoofden en deining me je doet missen,
Wanneer je kwijt bent, alleen, bang, verloren, in nood of twijfel. Als drijven, zinken, zwemmen, overstelpt, verdrinken of alles tegelijk, je opsluit in het afsluiten van de hoop.
Wanneer glas een grens lijkt te vormen die enkel een barrière is.
Ik zal altijd zwemmen. Blijven zwemmen, zwemmen, zwemmen. Tot wij het te boven zijn en ik je overnieuw heb gevonden. 
En je hebt toch geen pakje nodig. Niet eens een bootje, een verhaal of goede zin. Geen twijfel mogelijk. Want nog niet misschien, zou ik welke vis ter wereld dan ook, voor mijn Nemo aanzien."

Sunday, February 11, 2018

-10

"Ik vroeg me het me altijd af, allemaal, en zo vaak,
Hoe dan ziet een mens zichzelf ooit van achter? Hoe weet ik hoe ik mijn haar vastgebonden heb zonder mijn nek te verekken? 
Zoekt iedereen dan iemand met een tweede spiegeltje, die achter je staat te frutten welke plek je het nu net wel genoeg laat zien. 
Het is niet het tweede spiegeltje, al spiegel je me vaak, het is wie erin kijkt, en blij is je te zien.
Ik denk zoals thuis komen, het enigste wat wij willen toch, is in de auto stappen na een lange dag, de deur open doen en zien dat er daar iemand wachtte op onze komst, blij ons te zien.
Ik verwacht dat stiekem het gedoe van Irak er nog steeds toe doet, want hoe vreudig jij ook zou zijn als je de kamer in stapt, het zou handig zijn als je begreep dat ik er nog middeninzit tot ik Israëlische vida 4 letters in heb kunnen vullen, en het zeggen kom hier jij, denk met mij, eigenlijk betekend ik ben zo blij je te zien, ik miste je hoofd toch lieverd, ik reken je zo tot het mijne dat ik je toch niet tel als in persoon googlen zonder internet, maar als het vragen aan mijn verlegende geheugen wat is hier dat ik mis? Behalve jou.
Wat is hier dat ik mis, in dat hoofd van mij? En jij, vult haar als vanzelfsprekend aan.
Het maakt me niet echt uit hoe mijn haar vastgebonden zit, of ik er van achtere uitzie, achteraf dan, ik geef toch zo veel meer om het moment van stilstaan weten dat ik vergeet wat ik ging doen omdat ik jou zie, bedenken dat ik er aan dacht toen je een papier weg gooide, print, wat met printen dan? Je kijkt twee seconden en ik moet glimlachen, de haartjes in de war gebracht door het wrijven in je ogen als de vleugels van jonge vogeltjes, ik begreep nooit waarom iemand een kanarie zou kiezen uit alle vogels, het lijkt zo onzinnig, maar het is geel. Ik vergat kanarie geel.
Of het nu de grote dingen, of een enkel velletje, of het nu een mensen ding is of een van mijn hoofd,
Het herinneren aan, doet het hem, laat me maar niet vergeten hoe gemakkelijk het hoofd, haar, logica, achterlaat denkend aan jou."

"Over en uit."

"Rapport 19.
Zoals de vrouw, in de film de vrouwen. Die ene met de regenlaarzen. Dat paar dat ik niet meer heb. In de tuin.
De wekkerslachting. Versie 3. Poging 10. Geen wekkers meer. 
Onsuccesvol geslaagd. 
Met het licht aan. Overeens. De lamp moet wel uiteindelijk uit. Wederom eens. De meester vroeg het. Ik stond op. Het licht is op zijn minst gedimt. 
De nacht was onnavolgbaar. Getest op drugs. Alles negatief. 
Toch buiten bewust zijn. Extreem positief. Komende dagen testen herhalen. 
Lucy is niet langer aanwezig. Haar vertrek heeft het opstellen vertraagd. Het fort wordt bewaakt. Af en toe alarm storingen. De centrale neemt contact op. 
Geen noodgevallen. Voor zo ver bekend. Hier en daar een hapering in onderhouden contact. Verbinding is niet stabiel. Het blijft in de kluis. 
Rapport 20. 
Geen namen te noemen. Onduidelijkheid over voortzetting toegenomen. Hogerop overweegt. Beslissing blijft uit. Ik wacht op nader bericht. Tot die tijd voortzetten en schuil houden. De Zwijger is stiller dan normaal. Onderzoek abnormaliteit. Geef bevestiging van constand functioneren. 
Great gooze lijkt niet sterk genoeg. Doorzocht de voorraad. Blijkt geheel transparant. Nam een monster. Ongeschaad. De mythe blijft plannen indienen voor aanval. Op bericht van hoger dan hogerop plan N-17/02#6 wederom afgekeurd. 
Zoals bewijsstuk •1976• gelijk aan Gil zonder More. 
Rapport 21.
Is aan typen..."

X

"En wij, soms stil en verslagen, klampen ons vast aan de herinnering,
Op de heenweg nog dacht ik de straat hier glittert, zou de architect het bedacht hebben om ons hoop te geven, voor wij hier naar binnen lopen, het nieuws horen en onze oren even die van Gogh hadden willen noemen,
Ik lees je zachtjes voor, vertaal zin voor zin want Angels sprak je nooit echt goed,
Ik fluister je toe, en nu slapen wij allebei in Verweggistan, doe de ogen maar dicht, rust maar ik ga nergens heen,
Als een klein kind trillen je oogleden voor jij haar echt gevonden hebt, en ik vervloekt mezelf dat jij me de tafel van 7 leerde toch, en ik in de paniek niet begrijp hoe je 60 door 7 deelt of wat nu 18+7 dan precies was, ik wil er geen een missen,
Af en toe wordt je wakker, beloof het me nog een keer, ik ga met je de hele lijst af, ik zal de badjas niet vergeten opa, ik beloof het, en jezelf meisje, wacht er niet iemand in jouw bed, moet je niet naar huis?
Ik slik mijn tranen weg, och aapie toch, ik ga niet naar huis, jij bent mijn thuis dat weet je toch, ik blijf hier, maak je maar geen zorgen, ik ben hier en ik zal ieder uur dat wij in de week deelde mezelf op een taartje trakteren, een haring of een eindje gaan wandelen naar de vliegtuigen kijken, ik zorg voor haar en voor mezelf, en voor hoe ze je herinneren, ik beloof het je,
Hij zwaait terwijl ik hem nog bekijk vanaf de gang, precies zoals zijn moeder vanuit het klooster, nu begrijp ik waarom zijn hart dan brak, 
Wij kunnen liplezen, maakte zo grapjes naar elkaar in de kerk een geluidsloze "ik hou van jou. Je hoeft niet te vechten. Het is al goed. Ik hou van jou altijd een meer." Hij knipoogt laat de ogen dichtvallen met een kleine schuin getrokken mond, dag glimlach.
Ik loop de weg terug en vraag me af of de architect wel bedacht dat een glitterende vloer hoe donker de nacht ook, niets doet als je ze achter moet laten, dacht hij dan misschien dat het de verslagen mensen zou hypnotiseren tijdens het lopen, even de illusie zou geven, dat het een lachje zou forceren, gelogen hoop zou doen opleven?"