Monday, December 19, 2022

"Hallo, ik ben nog niet dood."

"En nu je genoemd bent, Is er zoveel veranderd. Nu ze je naam kennen, Kun je er meer voor kopen? Heeft de reputatie, Iets anders opgeleverd, Dan schade. Nee, nee, Nog een keer, Nee, Natuurlijk niet. Om te denken, Dat een schijnbare, Vooruitsnellende, Een vrouw ooit, Ten goede, Of zou kunnen komen, Is als dromen, over, Maar nooit doen, Een wetenschap van niets, Gedeeld met niemand, En nergens geprint, We zullen nog langer wachten, Tot de vier jaar alsof het politiek, Ook weer voorbij gewaaid zijn, Het is, Politiek, En daarmee af, Doek dicht, Zaak gesloten, Carrière voorbij. Genoemd zijn zou genoeg moeten zijn. Voor een man dan. Voor een man op zijn minst. Als ik een man was geweest. Maar dat ben ik niet."

Thursday, October 6, 2022

"Ouders, zonder kinderen."


"Het is gemakkelijk ouder te worden, te zijn, ook. Maar te mogen wezen, een geheel ander verhaal. Elke dag zie ik ze over straat lopen, de ouders zonder kinderen. Zij roepen hun nichtjes, neefjes, huisdieren of bonussen bij elkaar. Kijken in een dozijn naar links en rechts voor het passeren van een kruispunt, want onvervangbaar, onbetaalbaar, zo kostbaar zonder enig vergelijk. Het is meestal pas in de kinderboerij, in het hartje van het zwembad, dat de zucht aan hen ontsnapt. Ze willen niet aan de zijlijn, maar gewoon kunnen bij zijn.

Laatst nog was ik op de koffie bij, de buik van, groeide zowaar, van gemis, tussen het eerste en het tweede kopje, tot hoogtij in maand zeven, maar die buik, kwam zo snel, als zij ook weer even vluchtig was verdwenen. Soms fluistert ze me toe, "Iedereen is zwanger, iedereen behalve ik... natuurlijk bevallen ze en bevalt dat ze, hoe kun je nu niet houden van, en uiteraard deel je foto's van dat prachtig ontluikende leven, maar mag ik dan nooit even.., even, niet herinnerd worden aan, hoe leeg de schoot is van de moeder wiens kind nooit heeft bestaan?"

Nu het trillen van haar handen elke volle maan heftig wordt, laten wij de schoteltjes maar achterwegen, een mok vol, past de leemde beter. Morsen doet alleen maar, denken aan. De traanbuisjes worden gestopt met het zand van dromen over ooit, als, snachts wanneer niemand stoort. En in de morgenstond wanneer er opgestaan zal, dan veegt zij de korrels met de zwaarte van verloren hoop tegelijkertijd met haar dromen, uit de hoekjes van de ogen.

"Op een dag na morgen," verzucht ze me. "Op een dag na morgen, komt de dag, dat het ook het mijne mag..."

"21 botard-niej-tuinuh."


"Het kostte 21 botanische tuinen, om er een te vinden, die leeg genoeg, om tranen te tuiten en lippen los te laten, dat stilte bepraat mag worden, terwijl zij mijn vinger met haar hele hand, en op de ander, een vlinder landen laat.

Ik zou liegen, als ik me zou blijven verbergen achter stapels spullen die niets doen dan de witte leegte van de muren, achterstallig maken. En ik zou liegen, als ik doe alsof schema's en grote agendaboeken samen met Google kalender verzoeken, genoeg zouden zijn voor het traagschuim hart.

Alle woorden van paradijs die verkondigd werden, zaten verstrikt in de netten die uitgegooid werden tijdens de meest vruchtbare van tijden en onmenselijke oogsten. Dat naïef niet eens meer een woord is dat enige zeggenschap kan,

Jij, vonden we uit, wilde aanraken wat niets heeft om aan vast te houden. En dat je gehypnotiseerd door de kansen in het spel. En dat je als betoverd door alle mogelijkheden van mogelijk nu, nu, nu, al nu, al met al.

En al is er niemand schuldig, toch zweer ik je, God straft direct, ik wist wel, dat mijn borstkas het hele leven lang, verdomme, een gevangenisstraf was, voor het hart te graag ontglippen wil, klopt tijd en keer en nooit een keer optijd, of zij eruit mag, en springen doet ze.

Kom uit een dorp waar meisjes nog met touwen spelen, in en uit, in en uit, in en uit, spring in, spring in, dat ik zo geconditioneerd voor het diepste, wist ik veel toen de staartjes nog in twee tallen en nooit tussen de benen.

Ik ben van ver naar hier gekomen, vertel het je alleen, omdat ik vertrekken zal, en de kamers die ik thuis noemen moet in deze kooi, willen je als een vrouw, geloof me, meenemen naar het oneindige, waar de zon elke avond het graan gedag zoent, en het zoemen van de rondom nimmer stopt.

Ze vragen me vaak of ik zing of poëet ben, en antwoorden heb ik nooit, omdat ik dichter ben, dan mijn kippenvel wenste.

In verfstalen te veel van kilte en onverschil wordt geprobeerd te pakken alsof, het een vakantie die, maar wanneer hij roept in zijn slaap, dan noemt hij mijn naam toch, en die van niemand anders?"

"Ame harete kasa over wasuru."


"Er is geen remedie voor de melodie van tikkende vingers op schermen zonder stop of pauze,

En elke keer dat ik mijn ogen dichtdoe, op bed ga liggen, de slaap zoeken wil, met een passie die als hierboven onbekend,

Niemand weet, niemand weet,

Driehonderdeenentachtig chats en tellende nog voor de vogels van de buren hun eerste toon van de ladder ontsnappen laten om de zon te begroeten,

Zouden de vogels weten?
Zouden hun vleugels zoals de onze?

En iedereen wil twee uur van je tijd om jouw woorden als een spons en ze daarna beter op papier te zetten, want, krant, en,

Niemand weet, niemand weet,

Ze zullen verkondigen dat zij aan de weg timmerd, maar niet dat het al jaren 'n eenrichtingsverkeer lijkt,

Niemand weet, niemand weet,

En ze zullen zeggen dat het goed met haar gaat, dat haar werk als altijd virtuoos en met een flow die moeiteloos,

Maar zouden ze, ooit,
Niemand weet, niemand weet,

Dat te veel met bloed geschreven, het zweet al jaren ruikt naar eenzaamheid en onbegrip,

Maar we zullen schrijven dat ze zoet is, dat haar ogen blauw zijn, en ze bijna, er bijna, zo bijna is,

Niemand weet, niemand weet,

En natuurlijk zou je met gemak en volledig waarheidsgetrouw kunnen schrijven dat ik op zijn minst niet ongelukkig ben,

Ze zeggen dat ze geluk had, dat het aankwam, dat het de David was, de zie dat het wel, de cijfertjes brekende en data vrekende, maar,

Niemand weet, niemand weet,

Dat je ook alleen die status krijgt, wanneer je in hun ogen, hard genoeg, lang genoeg, conform genoeg,

Hij klaagt dat er geen ruimte is voor aanpassing, maar zie je de breuklijnen over de buiging na elk applaus niet van boven tot onder langs de gehele lijn van de ruggengraad, trekken aan,

Niemand weet, niemand weet,

En al mijn studenten willen graag, benoemd worden, beroemd zijn, in de bladen en op de podia, op straat zelfs ook, tegen de muren en op de spandoeken, en al mijn studenten willen graag, maar,

Niemand weet, niemand weet,

Hoe duur de prijs van inkoop bekostigen,

Niemand weet, niemand weet,

Hoe betaald, verdienen je komt te staan."