Saturday, September 24, 2016

X

Zonnestralen,
Door de glasgordijnen gestopt,
Glitteren als kleine stipjes op de vloer,
Laten mijn innerlijke kind denken aan lieveheersbeestjes,
Aan de dagen dat ze bij opa en oma speelde in de bonen bomen,
Haar lokken versierd met met witte madeliefjes, 
Die haar blond als goud laten schijnen,
Maar nooit het zwart kan laten verdwijnen in de duisternis,
Die tot haar gemis nooit lijkt op het diepe donkere van de ocean,
Waar monster en prooi,
Elkaar vinden als vraag en antwoord in haar gedachtenstroom...


Friday, September 23, 2016

X

Markeringen staan op het gras,
Van waar de rolstoel gereden heeft,
Zo licht als ze is,
Lijkt ze toch zwaarte te bezitten,
De emoties lopen hoog op,
In haar lage zit,
Er wordt niets gezegd.

Ze kijkt ernaar,
Verteld me met wat nog van haar stem over is,
Dat ze het al jaren niet meer bezocht had, 
Een zucht ontvlucht haar lippen,
Zelfs de wind voelt nu stil aan,
Geen fluistering meer door de bomen.

Nou, we hebben gezien waar we voor we kwamen,
We beamen dat het mooi was,
Dezelfde weg weer terug,
Haar rug lijkt me met drie ogen tegelijk aan te staren,
Ik vraag me af,

Hoe zij erbij ligt als ze gaat, 
De staat is bijna uit,
Zou zij zichzelf ook missen?
Het is giswerk,
Maar wanneer ik haar voor een laatste keer in mijn armen opsluiten,
Terwijl de bus wacht,
Knijpt ze nog eens in m'n hand,
Ben blij dat je zo goed terrecht gekomen bent,
Terrecht antwoord ik, inderdaad.

Want als het laatste woord gezegd is,
De zin die gesproken is nog lang besproken zal worden,
Dan wil ik beaamd hebben,
Dat wat we hadden,
Waard is om te houden,
Alsof het nooit verloren is.

Wednesday, September 21, 2016

X

Ze was bang, 
Dat zij zichzelf zou moeten excuseren voor haar diepste gedachte gangen op papier,
Nog angstiger,
Voor het onderdeel dat geveld zou gaan worden,
Was ze een zieke geest of slechts een gekweld kind,
Dat ter gevolgen van het leven gevormd is,
Tot deze perverse behoefte aan begrip,
Of misschien wel eerder leed ze aan exhibitionisme,
Zo veel mogelijkheden streden om de eer,
Te zeggen dit tere individu geschapen te hebben,
Tot haar nu.


Monday, September 19, 2016

X

Zijn blonde lokken,
streken als de wijzers van klokken, 
die vertrokken zonder slag, 
maar met stoot, 
hoe zijn shirt gemakkelijk over zijn hoofd heen glijd,
 lijkt op de tijd dat de bladeren van de bomen vallen, 
de smalle wegen waar je bijna uitglijd, 
in de strijd tegen de gladde halfnatte blaadjes, 
na je dood tot je recht komen,
dat kom je niet vaak tegen, 
zijn gedegen gedachten over het maken van een voorbereiding, 
drijven me tot waanzin,
als een kale paardenbloem vallen mijn haren een voor een in het sluimeren van de wind, 
kind, waar maak je je zorgen om?
Als jullie de herfst niet overleven,
dan hoe je niet te beven in de winter, geen kerstboom binnen te halen, 
geen verhalen over de tradities thuis te verzinnen, 
om binnengesloten te worden, 
in zijn voorliefde voor samen zijn, 
groeien, alsof muurbloempjes die alleen bloeien, 
niet tellen, ik zal je eens vertellen, 
ze vallen misschien niet zo op,
maar klimmen als enige naar de top, geen muur te rauw, 
geen dakgoot die zij verstoot, 
haar armen als de takken, 
vervlogen klampen zij zich aan iedere hou die vast gemaakt kan worden, 
sierlijk tolt ze rond, 
alsof zij danst zonder publiek, 
weinig zullen haar als geliefde zien, 
slechts omdat ze niet in het stramien past, 
geen gepaste reactie te bedenken voor zij die houdt, 
alsof er niets achter te houden is, 
het gemis, 
aan oprechte partners, 
was onvoorzien, 
maar in de lente zal deze bitterkers,
vers, zoeter dan ooit proeven, 
wanneer zijn lippen haar gerijpte rood,
in zijn mond neemt, 
gevallen voor de oost, 
van zijn eigen zaaien, 
geheim fortuin vervuld van betovering ontdekt in het kleinste hoekje van de tuin,
is er ruimte voor meer.