Wednesday, July 17, 2019

Zoals de man tikt, tikt er geen een.

Moskou en ik drinken er een.
Hij tikt met de nagels van de duim en wijsvinger.
Als een wekker dat uit de gedachte doet ontwaken.

De spullen in de kamer zijn stil.
"Op de toekomst" zegt de man.
Wij slikken.
Het is een proost zonder klinken.
Een troost zonder woord.

Hij schenkt nog een twaalf in.
Ik zit met mijn linkerbil op het aanrecht rustende.
De sigaret brandt overuren.
Het kringelt in een afzuigkap die, nooit echt, ademhaalt. 
Ik zucht tweemaal.
Eens voor het vermoeide hart.
Eens voor de machine.

Ik schreef een dagboek.
Schonk het aan de wereld.
Als een bibliotheek van de wegen.
Het is overwegend te zware kost.
Maar lezen om het te leven, kost niets.

En zoals de man tikt, wanneer in vrede, zo tikt niemand. 
Zoals de man tikt, in oorlog, zo tikt er geen een.

Ik tekende zijn leven uit.
Verloor het boek onderweg.
De volgende vond hem.
Vroeg het te mogen drukken.
Maar een wond moet met rust gelaten.
Wanneer herstellende.

Gaf mij een doosje met levenslijnen.
In de schittering verhuld.
De knipogen waarmee hij glimlacht tijdens.
Het bindende middels vlees.

Gaf mij er een aantal om te doen sterven.
Een bewaard zonder water.
Zij is opgesloten in het boek met opschrift,
"Ik wil je nooit opsluiten"
Zo ziet een mens maar.
De ironie.

Nam mij bij de hand naar het volgende.
Het is enger dan voorheen.
Onbekend als het is schud ik mij beste vriend de hand.
Wij beloven het, op de pinken.
"Er zijn geen restricties, behalve de ander."

En zoals de man tikt, wanneer in vrede, zo tikt niemand.
Zoals de man tikt, in oorlog, zo tikt er geen een.

Het is half vier in de nacht.
De slaap komt maar niet langs. 
Soms wenste ik dat er een balkonraam was.
Met lange witte glasgordijnen.
Al spelende met de zomerse wind.

Wanneer slapeloos in satijn gehuld.
Stiekem een nachtelijke opsteken met de deur op openstaand.
Kijkende naar de sterrenhemel op de rug.

Op sommige dagen weet ik zeker dat de evolutie theorie waarheid is.
Zie je.
Zijn handen spelen dan piano boven zijn hoofd.
Hij kraait wat.
Doet mij in zijn slaap aan tyrannosaurussen denken.

Gelukkig kan ik hem als een vreemde.
Bestuderen wanneer buiten bewustzijn.
Hoe de trillingen wanneer een slechte.
Hoe het borstbeen onbewogen wanneer een goede.

En zoals de man tikt, in vrede, zo tikt niemand. 
Zoals de man tikt, in oorlog, zo tikt er geen een.

Op bijzonder aangedane dagen die nachten dragen zonder zucht.
Alsof al rennende voor wat besloten tussen de leden en het oog.
Alsof al vluchtende voor het overgeven aan machteloosheid.
Ik fluister hem dan.
Zachtjes.
Tot de benen stoppen met vechten.
En de adem weer haalt.

Vroeger proostte wij veel.
Dronken wij weinig.
Vieren wij immens.
Leefde het nimmer.

Nu zijn wij ingetogener.
Drinken wij gelijk aan het eten.
Vieren wij stilletjes zorgende.
Leven het al om alom heen.

En zoals de man tikt, in vrede, tikt niemand.
Zoals de man tikt, in oorlog, zo tikt er geen een.

Hij zegt het wel elf keer "hoe verrukkelijk."
"Dat het geluk in dit en al het kleine omringende."
Maakte soep die bami werd.
Het groene werd geel.
Terwijl ik altijd aannam dat curry bij voorbaat rood.
En dat zo is, een korte samenvatting van het leven.

Het boek wordt verdeeld gelezen door de jaren heen. 
Hij vond het vermakelijk.
Noemde het kunst.
Vertrouwde erop.
Weende en waakte erover.

Dat onvoorwaardelijke liefde,
en verlossing van,
voor zo veel als gelijk aan.

Wij praten met elkaar in gedichten die wij eens.
Of zij nu waar of niet.
Wij spreken in boekdelen wanneer kanten van kiezende.
Elk ezelsoor een nieuw hoofdstuk aankondigende.

En zoals de man tik, in vrede, tikt niemand.
Zoals de man tikt, in oorlog, zo tikt er geen een.

Mijn huis ontbreekt aan batterijen met een rede.
Ik verdraag het klokken van de wijzers niet.
Elk in mijn bezit staat stil vanaf het moment van in ontvangst nemen.
Behalve de man.
De man loopt immer meer door.

Zoals de man tikt, in vrede, tikt niemand.
Zoals de man tikt in oorlog, zo tikt er geen een.

Dirigeert het Zwitsers orkest dat in gedachte op de achtergrond.
In iedere beweging, elke glimlach.
Bij ieder glas dat neergezet.
Iedere veter die de grond verzet.
Met elk openen en sluiten van deur.
Tijdens het ontkurken en ontpoppen.

En de tijd, is nooit meer, zo leeg klinkende, als voorheen.

Zoals de man tikt, slaat het hart.
En al staat zij graag stil, zij slaat liever niets over.
Over, het leven dat leeft.
Vanzelfsprekend.
Te weinig woorden.

Ik schreef er duizenden.
Schonk het aan niemand en geen een.
De woorden tikte eindeloos tot.
Hij sprakeloos maakte.

Moskou en ik drinken er een.
"Op de toekomst, het leven" besluit hij.
Hij tikt met de nagels van de duim en wijsvinger.
Als een wekker dat uit de gedachte doet ontwaken.
Dat een droom, ook met ogen open.
Nog bestaansrecht, levensecht.
Dat een droom, ook met ogen open.

Tuesday, May 21, 2019

X

"En hoe langer ik liefheb en laat liefhebben, hoe meer het tot mij komt, dat liefde altijd een Kafka in kinderschoenen is."

Monday, May 20, 2019

X

"Een gemiste kans er te zijn voor, is eigenlijk een kans genomen om afwezig te wezen, en te leren dat je niet noodzakelijk, maar optioneel bent."

POWPOW

"Zij de geweren, geladen drinken wij gezamenlijk, wachtende tot op scherp, schietende werd.
De flarden en schrammen nauwelijks. Wij zijn van ijzer wanneer in het gezwelschap.
Er wordt lood geslikt en weggepinkt. Niet echt dus te noemen. Het plafond is van bakstenen. Glas schijnt de illusie. Zo licht regent het niet.
Zij de geweren, verpaffen hun laatste op de lach, maar wie het langst lacht. Ik kreeg altijd al de slappe van gehecht of verbonden worden. Dit hart is elastisch als het moet. Het buigt tot het niet langer breken kan. Momenteel heeft hij een kogelvrij hart maar aan de keflar ontbreekt het hem.
De glimlach is de glimlach niet, net voordat de laatste zich verschiet in onzinnigheid.
Er werd een reddingsvest verdronken onder de tafel. Wij poochden haar een zeemansgraf te geven, maar het deuntje van het golfbad speelt zich niet langer af. Gesloten oord wil ongestoord zachtjes kabbelend de storm vergeten. Er is geen overlevingspop meer te redden van de bodem.
Zij de geweren, schoten de plank mis, begrepen niet, verwachten wel, het is te laat voor spijt, had het gespeten dan was het spoederig gesproken dan achteraf om vooruit te, maar in het moment altijd genegeerd, tot hoog nodig of brood, dan komt er schot in, het viert kogelsnel, zonder aarzeling, wanneer het raken kan.
Zij het geweer, nog erger dan het stelletje, dreigt met de veiligheidspal, voor het leven, ze zou de moed niet hebben al durfde ze, legt het al jaren op tafel neer als wapen, het trekken, maar zij is er nog, de kreer, zal hem eens doen gelden, alsof ze meer dan patronen te bieden heeft, alsof de kolf ooit echt kan houden, een mens van zulk bespottelijk kaliber dat zij het verschil tussen het jagen op en liquideren van de ziel als eengelijks schot in de roos beoogt. Zo gericht op het eigen ego dat zij uiteindelijk altijd zichzelf in de voet schiet. Er bestaat geen magazijn voor dit geweer, er zou er nog niet een zijn die zo halfgeladen wil sterven aan een oneindig niets.
Er zijn geweren in omloop, te veel in omloop. Waak het wapen niet. Beter neer dan nooit geschoten. Dan is het pas helemaal mis."