Sunday, February 27, 2022

"Stpthstrn."


"En eens in de zoveel tijd, wanneer alles licht is, dan is het zo goed en zoet, en je mist absoluut niets, tot je overnieuw,


Stukje bij beetje, verzamelen we de kapotgeslagen overheengestapte verankerde stukjes,


Ik verdiende mijn naam op de fortuinlijke loonstrook, en nu, zou je opzich, sta je hier met al je redelijkheid en realisme,


Maar, waar, was je toen de stroken vingers behoefte, toen de verloning uit vijf keer meer lezen en beblaarde vingers bestond?


En als je denkt, dat niemand iets om je geeft, weet dan, dat je door je moeder gemist wordt,


Er gebeden wordt dat je niet te dicht tegen de zon zal gaan vliegen, dat de ogen mogen blijven innemen, dat het de tong niet stillen zal, dat de keel geen kikker kennen mag,


Gordijnen worden gedeeltelijk gesloten, half gestoffeerd, de lantaarnpaal schijnt dwars door het spleetje, de nachten zijn alsnog gebroken, of je nu wel niet, hier,


Ik zoek houvast, maar zie enkel kuiten over rekstokken gieren, wandelwagens waar op gehangen wordt om fiep, en extra stevige zitjes voor veiligheid, een dubbele dop,


Eens in de zoveel tijd, dan komt hij op de schoot in slaap vallen, met het neusje tegen de borst aan, dan zou alles, licht en leven,


Ik denk aan je, je wordt niet vergeten, mijn grote angsten zullen je nooit overkomen, het boek zal opgedragen, de herinneringen zullen in de doos onder het bed, mijn hand zal uit blijven reiken, de blaadjes zullen geharkt,


Er valt een sluier over de tijd, wit is het niet, want de trouw is complexer dan een ring om vinger en de verbinding is even ambivalent als WiFi hotspot,


Eens in de zoveel tijd, is het mistig, lijkt het zowaar alsof er sneeuw in de zomer, alsof de lente nog niet hier, alsof het nieuwe jaar oud is, en dan, 


Zeg ik je overnieuw gedag, dat afwezigheid zo aanwezig kan zijn, leer je pas, wanneer het gemis er is."

"Заставь дурака Богу молиться - он лоб расшибёт."



Kun je het helpen, dat je als vrouw, eerder of later, meegenomen wordt in? 


Ooit geloofde ik dat het zakken voor mijn rijbewijs de grootste verschrikking was die kon plaatsvinden. Nu vind ik het angstaanjagend dat ik er een heb. We gaan nooit een auto kopen. Ik ga onder geen een mogelijkheid met je rijden. Gordels zijn soms ook dodelijk. En elke dag sterven er meer mensen aan ongelukken op de weg dan in de lucht. We zullen ons hele leven aan de trein overgeleverd zijn. Maar het is het waard. Niemand gaat jou op het asfalt uitstijken zoals ze doen met vogels en katten en soms in de klakkeloosheid van telefoneren tijdens en muziek wisselen met kinderen. 


Ik ga met je aan de hand overal en wij zullen elk en ieder roekeloos vermijden. En ik begrijp het echt wel kind, als je denkt dat ik overdrijf, maar geloof me, je weet niet hoe het eraan toe gaat hierbuiten. Mensen maken elkaar elke dag kapot. Op ontelbare manieren. En jou zullen ze niet nemen. 


Niemand zal je. Ik. Ik bescherm je. Ik bescherm je. Ik bescherm je ook voor mijzelf als ik moet. Ijverig als 't paard dat dwars door de hekken, in galop, ijverig als één voor jou, die opgeven weigert bij wil."

Bouw de wijn

 "Breng me, naar het viertal waar de kleur van de deur even vol van passie én felte als wij,


Neem me mee, daar waar het licht door de plisse heen zweeft alsof de lucht altijd warmer dan dat waar naartoe gekeken wordt in de buitenwereld,


Ik geloof, ik geloof,


In omeletten op bed met de geur van verse koffie en vroeg gebakken brood dat nog warm op het bord dampt,


In briefjes verstopt tussen sokkenla én frutsels van herinneringen die ooit aan het begin van "ons" aan de muur gespijkerd ingelijst en al,


Ik geloof, ik geloof,


Dat dit onze plek is, hier maken wij de regels, hier mag alles wat gewilt en gewenst,


Er wordt geleerd wat schuifelen nu eigenlijk is 'n uur of twee het nieuwe jaar in,


Waar de tafellakens verdwaalde dekbedovertrekken en ieder shotglaasje een kans op groene toekomst en groei beloofd,


Ik weet toch,


Dat dit onze plek is, hier maken wij het leven tot onderdanig aan de handen die haar boetseren zoals naar verlangd wordt in de stoutste,


Ik geloof, ik geloof,


Dat je rijker wordt van in de armen ontwaken elke ochtend,


Dat is onze plek is, hier maken wij de regels, en je hoeft nooit meer je jas aan te trekken en de deur in het slot te laten klikken, door weer en wind naar huis te vertrekken,


Ik geloof, ik geloof."

Tenentuintje

 "En ik sloop naar binnen door de geheime tuin, elke zomernacht, om vijf minuten, om even, één blik te delen, één zucht te nemen, de duivel zijn glimlach nog een keer te vergeven. 


Bestempelde mijn lot zelf, met volle overgave aan, kan het niet uitleggen of tekenen voor je, het was gewoon zo, zo, zooo, ja, ha, haaah, ha,


Dus hier zitten we, parkbankje, zonneschijn, stiekeme pinken die als bij verloren verstand, in elkaar klemmen op loze beloftes die graag geloofd,


Herinner je je nog? Hoe mij ogen die eerste keer. Brandend verlangen, behoeftig behoedden, zinderende topjes die uitstrekken ver buiten gebaand,


Wist je toen al, dat een hart puur, je altijd vrijpleiten, vrijblijvend, zou?


Dus hier ligt het hart dat ooit bezet door, dat haar dienst een ereronde en nauwelijks humanitaire, dat het de juiste verleende om daarna, te zien vertrekken,


Afstand, tijden, scherven, blijven, stilzwijgend,

De vraag ontspoort nog voor zij ooit gesteld,


Zoent me in een poging, te redden wat nodig, maar als je had geluisterd, begrip onbesluierd,

Het antwoord slechts een apparaat,


Ik schreeuw uit de verte, terwijl de stap uitsterft, ik hou van je toch, is dat niet dan, het engste dat je ooit hebt gehoord?


De zondaar strikt vertrouwelijk tot geschenk, neemt de mand vol voedzaam mee naar huis en richt er zijn schuilkamer mee in,


Draaideuren die gesloten blijven, loopbanden die doorrazen, een wind die de gordijnen uit haar stuc rukken,


En ik sloop naar binnen elke zomernacht, in de hoop dat, koesterde iedere bloem tot ik mij liet verstenen achter de klimop,


En ik sloop naar binnen elke zomernacht, in de hoop dat, de morgen zou breken met jouw aanraking gewikkeld rondom mijn huid,


Maar je weet wat ze zeggen van hopen, het doet enkel de idioten leven, 


Dus verzegelde ik mijn lot, daar elke nacht zoals het ook het slot, in geheimzinnigheid en zachtjes kloppen besloten, tot de weg naar, voorgoed gesloten."