Saturday, February 22, 2020

'n Van Gogh-je


"Het oor viel van verbazing pardoes op de grond. Prompt. Ongehoord het einde. Voelbaar desondanks. Het luiden van de bel. Hoe verblindend een vuurtoren klinken kan in haar felheid dwars door de iris penetrerende. Zelfs de doffe dreun waarmee de schelp landde werd genegeerd. Hij stapte over het oortje als het onderdeel van een zojuist gebroken theeglas was. Vervangbaar. Irrelevant. Ongegeneerd negeerbaar. Daar lag zij dan. Pijnlijker was stilte nog nooit daarvoor zo alomvattend geweest."

Thuuuuush

"Soms wacht je tot de laatste schoen valt.
Al jaren.
Alsof het een spel van de langste adem is.
Al jaren.
Soms wacht je tot de laatste schoen valt.
En komt zij niet.
Geen hakje, geen pump, geen sneaker of laars. Niets.
Dan wordt de adem in gehouden zonder stop.
Verstikt het hart van angst voor de ademnood die nog moet komen gaan.
Zo kende ik, individuen, die een leven lang de langste adem wonnen.
Maar de laatste schoen, viel zelfs niet, net voor de dood, of net daarna.
Zij leefde een leven vol van onzichtbare wachtrijen en zet je jezelf maar alvast schrap.
Hebben het geluk nooit werkelijk met volle teugen genomen omdat zij altijd al bij de volgende onvermijdelijke teleurstelling leefde.
Soms wacht je tot de laatste schoen valt.
Al jaren.
Tot het besef zijn intrede doet.
Dat niemand minder dan het zelf, de laatste schoen is.
Al jaren."

O

"Op sommige dagen zaten wij op de lederen bank, stilzwijgend, naar buiten te turen.
Dan was zij bezig in de tuin. Namen wij om en om een slok half lauwe koffie. Bestudeerde hoe haar eeltbeknobbelde vingers nog altijd genoeg magie schenen te bezitten om ieder en elk groen tot leven te wekken, op te doen bloeien.
"Het is anders tegenwoordig is 't niet?"
Hij wilde altijd weten, hoe het nu is, voor vrouwen, hoopte dat zij de dag nog zou mogen zien, dat er voor vrouwen zoals zij, plek, echt plek was, om de ruimte in te nemen zichzelf te zijn.
Ze was mysterieus. Scherpzinnig. Had een ondernemersgeest waar je U tegen zegt. Zij was wild en onbevangen. Maar gedwongen in het keurslijf desalniettemin.
Rebellie zat in het kleine, voor het grotere goed. Onrein toch de kerkgang opeisen omdat miskramen evengoed natuurlijk gebaard en gedragen werden. Blijven werken na de trouw opdat huwelijk geen overeenkomst tot opgave van onafhankelijk zou moeten zijn. Zij was rigoureus.
In een wereld nog kleiner dan een notendop berucht om haar eigenzinnigheid.
Hij was een man van goud, bleef aan haar zij gedurende iedere overgang. De weg was lang en zwaar. Zal vol met ruzies waarin ze hem verweet dat zij toch zojuist een half uur geleden al had gezegd dat zij links in plaats van rechts moesten.
"Als zij een man was geweest, kun je je voorstellen, wat het leven haar geboden had?"
Zij hield van leren en scholing. Was door het dolle heen, dat haar kleindochter naar het hoger onderwijs doorstroomde. Praatte je de oren van de kop af over wat voor luxe het wel niet was. Tot je jezelf zowaar schaamde dat je het vanzelfsprekend of voor lief nam.
Heb veel dingen in mijn leven willen zijn, politicus, schrijfster, ondernemer, hovenier, architect, chef, priester, fotografe, naaister.
Het duurde tot na haar sterven, het besef, dat ik eigenlijk in elk van deze, graag mijn held wilde wezen, zoals mijn oma wilde leven. Zonder compromis of excuses. Volledig vanuit eigen visie en geloof.
Kom regelmatig aan om samen te zwijgen. Half lauwe koffie te drinken terwijl we naar haar foto kijken.
"Het is nog precies hetzelfde tegenwoordig is 't niet?"

X

"Maakt graag foto's van flikkerend fonkelend kaarslicht alsof dat, het idee van geloof, hoop en liefde als tastbaar doet verankeren.
De man stapt de kamer in. Anders dan hiervoor. Bedachtzamer. Wuifelend. Uitgeput.
De man stapt de kamer in.
Anders dan hiervoor.
Spreekt vol lof over luchtbedden en pompen. Is optimistisch over de zon die komen gaat zelfs wanneer wij lopen door pijpenstelen.
De man stapt de kamer in.
Anders dan hiervoor.
Doet zijn schoenen uit bij de deur en hangt zijn sjaal precies langs het tweede, reserve exemplaar.
Soms lijkt hij vluchtig op hemzelf. Schept hij de woorden dubbel op zijn bord en verorberd ze alsof de honger nog nooit gestilt laat staan gestopt.
Dan is zijn trant zo vreugdevol, lijkt het bijna een dans door de dagen.
Toch, de man stapt de kamer binnen.
Anders dan voorheen.
Bescheiden. Ingetogener. Stiller.
Vroeger sprak hij al op de gang, was hij letterlijk de gangmaker. Nu, herinner ik mij weer, waarom hij de naam Zwijger droeg.
Ik leg de woorden op de schoot en zoek naar grotere oren, die echo's ter gehoren kunnen doen klikken van moed en kracht, van licht van pracht.
De man stapt de kamer binnen.
Gedoofd. Verdoofd. Bedoofd, bijna.
Bijna, maar nog net niet helemaal.
En dat, is genoeg, meer dan genoeg.
Om de ogen te laten weerkaatsen wat zij in de spiegeling van het licht behoeven en verlangen.
Dat de ogen mogen wegdromen bij de gedachte aan warm gekleurde glansrijke genoegendoening, een morgen waarop de waxine doofd op het moment dat hij de ogen open doet en het bed uitstapt, opdat er maar een lichtpunt in deze kamer alle andere doet verbleken.
De ogen die te lang geleden onbekeken.
Maakt graag foto's van mist en natuur alsof de nostalgie van vertolken in beeld de woorden kan doen opleven die ongehoord in de oren geknoopt, plaats moeten maken voor het natuurlijke in kwetsuren, dat het er nu eenmaal vanzelf is, en zoals het komt, ook weer gaat, afhankelijk van de plaats waar de mens staat.
De man stapt de kamer binnen.
Ik lees. Mijn favoriete boek. 'De duizend loopjes van Grekhov'. En zolang als het verhaal loopt, zal er altijd, een goed einde net achter het volgende ezelsoortje besloten zitten."

Wednesday, February 12, 2020

Lachebekkie


"Aan het eind van de dag, is geluk afhankelijk van de interne missie en visie, die je simpelweg niet kunt uitbesteden of importeren, wil je het echt duurzaam maken." 

X

"Mijn oom, Pieter, geadopteerd, omdat wij niet genoeg ooms hadden, omdat mijn vaders geen broers had, had een snor. Ik kon al snel goed begrijpen waarom wij hem geadopteerd hadden en hij geen broer(s) had, want snor. En in die snor bleef vanalles plakken. Hangen. Resteren. Stukjes ei geel en flubbertjes smac die uit de macaroni kwamen. Hij lachte dan ooit, als je het aanwees, dat hij het bewaarde voor later wanneer hij weer honger krijgen zou. Dat het een opslagplaats was zoals de garage of het trappenzoldertje. Soms poetste hij ook de borden met zijn snor en tong. Spuugde dan eerst en wreef de viezigheid goed los. Schoof er overheen en op en neer met zijn snormond en zetten het schone bord dan terug in de kast. Die dag wist ik het zeker. Mannen met snorren en baarden zijn nog viezer dan de incontinentie materiaal van bejaarde verzamelbakken in het tehuis om de hoek. Er zit een luchtje aan die mannen. Ook al stinken ze nog net niet echt. Ik was vastberaden. Nooit en te nimmer niet zou ik ooit een snor of baardmans toegang tot mijn huis verschaffen. Ik zou ze weigeren als vrienden, vermijden op de straat, een andere tafel vragen in het restaurant als ze een naburige plek bezette. Er zou geen een stukje geraspte kaas meer in mijn gezichtsveld in het verhaarigte verdwijnen.
"Wat vind je leuk aan je vriend dat hijzelf nooit kan zien?" "Soms blijft er een beetje cappunico schuim aan zijn sikje of snor plakken en dan heeft hij niets in de gate en is zo aandoenlijk."
Uiteindelijk delen we allemaal het bed met alles waarvan we altijd zeiden dat we het nooit niet zouden kunnen willen nog geen haar nog niet misschien.
Geen buitenlander, want raar eten moeten leren eten. ✔️
Geen man met snorbaard, want vies, onzoenbaar. ✔️
Geen man die ouder is dan mij, want verwacht snel af te takelen moet vitaal genoeg zijn mij te dragen, wil geen traplift. ✔️
Onder geen een bewind een man met platvoeten of grote duimen, want ziet er gek uit. ✔️
Geen man met vrouwelijkere voeten en handen dan mij, want onzeker. ✔️
Geen man met grote neus of oren, want opa-achtig. ✔️
Afwijken van wat gekend nooit m'n sterke kant, verandering nog minder, wel, te eigenwijs vandaar ontlijst."

X

"Gooide in de rondte met teleurstellingen alsof het dartpijlen waren, altijd een schot in de bullseye.
Hoe de pikzwarte krulhaartjes op de net wat opgedikte tepels die onderweg zijn het woord borsten ooit waardig te wezen, haar doen vermoeden dat zij productiefouten heeft.
Er was geen onderwerp dat grensoverschrijdend wanneer in publiek op plaats gezet moest of zou.
Smeet schuld met volwassen porties op het bordje en liet je zitten net zo lang tot het in zijn compleetheid naar binnen gewerkt én geslikt was.
Soms kwam er een sausje toe, met de bittere nasmaak van maïzena. Of werd en een dessert geserveerd in de vorm van een koekje van eigen deeg.
Toch was de kers op de taart vaak pas aanwezig wanneer het ongemak van de avond zijn toetreden maakte.
Dan werden er beloftes rondgeslingerd alsof het feest kon, maar werd er nooit iets aan opgehangen behalve lange gezichten en losse eindjes die aan elkaar geknoopt net iets minder gebroken schenen.
De tenen waren een groot probleem. Ofwelja de nagels dan. Had door het overgenomen perfectionisme en de aangeleerde angsthazigheid terloops perongeluk het ligbad met de oplossing geruïneerd.
Zoals de afgrijzelijke gele uitgebeten vlek daar altijd een doorn in het oog.
Zo blind werd het oog voor de duizelingwekkende rode schamperingen van licht die haar gebrek aan doorzettingsvermogen benadrukte.
Gebruikte geen wasverzachter maar stijfel zodat geleerd kon over hoe hard het leven. De schaamte werd iedere ochtend aangetrokken in de vorm van ondergoed met de dagen van de week erop geborduurd en langs de billetjes schurende en al in de naad kruipende.
Om daar de eigenaar van het slipje te herinneren wie er werkelijk de baas is.
Er ontstond een soort sinaasappelhuid op de onderrug en schouders daar waar nog iedere dag darts uitvallen wanneer de nieuwe gardarode zichzelf nauwsluitend en naadloos bevestigd.
Om haar te doen leven met het idee, dat ze nu eindelijk een huid heeft die dik genoeg is."

Tuesday, February 4, 2020

A2


"Ik ben bang dat wij nooit uit die auto stappen. Eindeloos in hetzelfde ritje opgesloten zitten. Zolang hij de gedachte niet parkeren wil."

Atwood

"In de avond ben ik eenzaam.
Dan omring ik mij met de woorden van mijn beste vrienden. Dahl, Marias, Nabokov, Murakami.
Ik zet dan de open haard app aan op de laptop.
Pretendeer alsof wij gezamenlijk de whiskey sippen. In een buitenhuis verblijven, ver van mijn thuis verwijderd.
Dan rol ik mijzelf strak in de dekens als een burrito gevuld met meisje gekruid met tranen.
Wij delen die nachten, mijn geheimen met elkaar, en zij vertrouwen mij toe, dat ze veilig zijn bij hen.
Zij schrijven mij dan roman lange brieven met plotten speciaal voor onzekere oude rotten zoals ik, wij.
En wanneer het laatste glas geheven, de oogleden zich langzaam richting slaap gaan bewegen, geven zij mij een nachtzoen toe.
In de avond ben ik eenzaam.
Maar nooit zo alleen, als een hotelkamer met eenpersoonsbed of ontbijttafeltje met de stoel naar de muur gericht.
Dan droom ik over badjassen. Hoe er aan de haakjes bij mijn badkamer deur, plek is voor twee lichtgele van badstof.
Dan droom ik over zwerfkatten in de kou, die het schaaltje warme melk in de tuin als uitnodiging aannemen en in de ochtendgloren de vreemdeling die hen voorzien had te verwelkomen om de morgenzon te ontmoeten met kopjes en geaai.
In de avond ben ik eenzaam.
Tot uitputting zijn slag slaat en het bewapend waken eventjes mijn lijf verlaat."

4

"Weet nog de dag.
Dat vaders en zonen.
Dat koningen en hun tronen.
Weet nog de dag.
Dat vragen onuitgesproken.
Gebreken onvertoond.
Dat liefde bezegeld met deurmatten onbevuild.
Weet nog de dag.
Dat bezems de nozems uitnodigde.
Dat poëzie elke avond door grootmoeder georeerd.
Toen haarden niet met oorlog enkel huiselijk.
Weet nog de dag.
Dat vaten getapt tot droogte.
Laatste druppels met vijf gulden cent gebold over het randje.
Dat geproost over het hoofd gezien.
Weet nog de dag.
Dat de poort naar de kerk met kettingslot.
Dat bidden om beminning tevergeefs.
Dat de pastoor de grond in zakte en het eerste schepje zand als een zucht van adem.
Weet nog de dag.
Dat tanden gewisseld in het doosje met goud omlijnt.
Dat korte broekjes speels in plaats van sletterig.
Dat ijsklonktjes met rondingen.
Weet nog de dag.
Dat er een viertal het Gammele betreedt.
Wijzen in dank afgenomen zonder ongenoegen.
Dat cheques altijd gedekt door de waarde van het woord.
Weet nog de dag.
Dat dageraad vervlogen tijden saneerden tot een klankloze klakson in een onder het zeil weggestopte Tatra 603 huiverig voor met roest aangetaste herinneringen anno 1957 en tellende.
Als de dag van gistere nog weet.
Dan zal morgen stilzwijgend in de boeken.
Tot beter. Of geleerd."

Sunday, February 2, 2020

0900-sinking

"Mijn diepe gronden sturen mij smsjes. Probeer niet eens. Je ziet vergissen als teken van ziek verdraaide natuur. Geef de schuld maar. Mijn god zou zweren dat het hier geesten spookt. Als jij dan toch in het rollenspel verstrikt, laat mij er maar voor opdraaien. Hoe zorgelijk is het dat er verwijtvolle verzorgers leven? Zoekt manieren om van mijn nood jouw zaak te maken. Maar neem het aan van het meisje dat je probeerde te raddraaien, zolang er geen onvoorwaardelijk geaccepteerd zal, komt er enkel voorwaardelijk, nooit echt vrij. Je bent zo scherpzinnig in het versnijden van de feiten, hoeveel je ook voor chef passeren wil, herken een slager in het vlees. Als het zo rechtelijk voor de hand lag, waarom zou je het dan, links laten liggen? Was je wel ooit oprecht? Ik zie het achtergesteld zijn door je privileges, niet in het veroordeeld zijn, terug. Je kreeg wat je wilde. Troonopvolger. Hoe voelt dat om gepasseerd op je plaats te staan? Regerend over een leger leger, tot geen meer. Ik voorzie dat je niet van me houden kan wanneer vrijheidsberoving van tafel. Hoeveel hersenkronkels wil je toe-eigenen, vervormen tot taal die gesproken moet in het wetwillenswoordenboek? Je komt altijd met lege handen wijzen op hoeveel je bijdraagt, en ik prik mijn blaren. 
De deur was altijd open maar werd nooit platgelopen toen er alleen nog maar zaken en noden in zakken en dozen. Handen werden zo ver uitgestrekt tot de spieren chronisch verrekt maar nog altijd ongenoegen. Is vergevingsgezind zo'n zonde dat klaagzang gespeeld als een van the greatest hits? Mocht ik keuzes maken die niets met je van doen, geen haken, ogen of verjaarde opgeblaasbare? Zit me altijd op de hielen om mijn Achilles nog eens door te pezen."

" 半開きの扉で. "

"De mist sloeg op de ramen, plakte aan haar alsof het een laatste afscheid.
Hoe de klam zo passievol gehecht aan het stroeve van afgeblakerde verf en antiek hout dat langzaam rottende de romantiek bezegeld in tijden van winterkou.

Wij lagen samen in bed gekluisterd aan de armen van, bedekt met zes lakens en nog altijd rillende.
Ik zag de kamikazedruppels henzelf neerstorten dwars over het glas lijnrecht naar beneden om het kleinste beetje helderheid te schenken aan wie het behoeft.

Stemmen klinken in galoren worden verheven door het holle dat stilzwijgend voet bij stuk.
Zijn baard kieteld langs de schouders en nek, blaasd de warmte over het lijf als een zomerbries net na de moesson.

Wij zien onze adem in stoom veranderen.
Blazen figuren in de lucht tot leven. Vogels, engelen, vliegtuigen.

De bedenkingen glimlachen toe. Gegrift in de huid ontstaat de dans van plezier en onbezorgdheid.
Hoe rond en gracieus, hoe van nature zo met kracht bevangen in elke streep en breuklijn.

Regen tikt tegen het zolderraam en de pannen, het ritme van een luie vrijdagochtend kriebeld de oren tot ontwaken.

Wij smiespelen elkaar in de oren, over de grote, het grootste, en alle kleintjes. Hoe meer de ogen in elkaar gesloten, des te meer de mist opklaard. 
Uitgestrekt op het luchtbed, lijkt het in de mist van choas en waas der leven, soms even op het allergrootste onafhankelijke geluk."

📸: @droshah1 .

d-i-t-o

"Wij rijden naar Zwitserland. In een volkswagen kever. Soms doet hij mij denken aan hem. Wanneer hij vol enthousiasme over de euforie spreekt van vinden wat gezocht werd.

We flaneren door de straten. De koffie komt altijd twee uur te laat wanneer de vrouw met een theedrinker vergaat. Eentje met schuim en eentje zwart met tweemaal de suiker.

Zoals hij de schuim lepelt, soms een restje op de sik achterlaat. Zo kan ik me de pogingen tot herinneren, mijn angst dat hij ooit echt een baard krijgen zou, dat het zo vreselijk leek in mijn fantasie, de kans dat er stukjes eigeel of smac achter zouden blijven in.

Ik glimlach. Alles. Ik wist altijd zo zeker, wat de alles was, die ik wilde. Nu heb ik niets van alles en des te meer. 
Een echte bloemkool Nederlander, zodat ik nooit een tweede taal of cultuur hoef te leren ik ben zo slecht in functioneren met de zenuwen van mogelijk verkeerde uitspraak of gebruiken in de lucht op mijn schouders wegende.

Iemand die het broodtrommeltje zelf klaarmaakt.

Een man met beperkt smaakpalet zodat nooit geëxperimenteerd hoeft en boerse tapas met mini pizza's, aardappel kroketjes en jonge blokjes kaas, voldoet aan de standaard van romantisch ten top.

Eentje die simpel werkt heeft, mij in lijn kan houden en structuur biedt, die zorgt dat voor 8 uur opgestaan en om half 12 geslapen wordt.

Die houdt fietsen zonder einddoel net als ik.

Een man die houdt van de tuin doen, zoals hij houdt van werken met de handen, die niet zucht of zeurt wanneer de heg geknipt, die mij laat harken zoveel als naar wens. Een die het matje naast mij neemt en kwebbelen kan tijdens als zij nog altijd hier is.

Soms doet hij me aan haar denken, met al zijn feitjes en onderzoeken, met zijn verschrikkelijk irriteerbare gedegenheid in bronvermeldingen valideren, mijn wandelende encyclopedie.

Wij hebben de koppen leeg. Buiken vol. Sabbelen nog op het laatste stukje Toblerone terwijl wij ons terug treuzelen naar de auto.

Hij heeft soms, wanneer het teruggaan naar realiteit hem tegenzit een eendenloopje, de stappen verdwijnen in de breedte en snellen maar weinig vooruit. Dan doet hij me denken aan hem, en glimlach ik."

bijbels, babes en bitches

"Judas zet haar beste beentje voor, haalt elk trucje uit het boekje erbij.
Je moet wel een bijzonder exemplaar om zo toegeigend de enige aanwezige te mogen zijn, aan wie menselijkheid, toegekent mag.
Judas steekt er nog eentje op, ademt zo diep in als de oppervlakkigheid toelaat.

Verslaafden die aanhankelijk worden van ieder en alles dat een excuus biedt om verantwoordelijkheid op de schouders van de ander af te kunnen schuiven, veranderen nooit, al stopte ze met innemen, ze stoppen nooit met afschuiven.

Judas zet het verraad in beweging, zij speelt nog hoogmoedig de heilige Maagd.
Maar een ziel die zo bevlekt is dat het een Rorschach van meervouden vermoed, zal meer bloed van de handen in onschuld hebben gewassen dan dat er ooit aangepakt of erkent.

Judas zit alleen aan tafel, zelfs Moeder, behoeft niets meer van haar, zou nog een avond het maal overslaan dan nogmaals het gehoren te moeten bieden aan de pardonnementen die in koele bloedde warm gepraat moeten met de furie van haat.

Judas speelt met vuur en weet het niet, zij denkt veel te begrijpen voor iemand die zo weinig van het leven.

Schuwe getalen van bekendheden omvatten de bereidheid van hart om een metamorfose die puur, te zien, als noodzakelijk goed, dat gezamenlijk geleefd helen kan.
Maar wanneer de groei ontkent en de grootte geremd, wanneer geluk als offervarken in de handen van, wanneer gemakshalve genoegendoening gelijk komt te staan aan het in gewisse brengen van de moord der karakter die gronden en gebied tot gewin roemen in het theater van Niets en Niemandsland.

Judas, telt zich rijk met haar hoofdrol, zet haar beste beentje voor, haalt elk trucje uit het boek erbij, tot ze erbij neervallen zal."

Wet van Irving

"Hield nooit van school, maar wel van leren. Was een echte boekenwurm. In groep 7 startte wij het jaar met Meneer Hoefnagels. Hij las ons iedere dag een half uurtje voor de middagpauze uit 'Meester van de Zwarte molen' voor.
Hij gaf mij het boek daarna, voor tijdens de pauze. Mijn moeder was een overblijfmoeder. Dat is een huisvrouw die de kinderen van niet huisvrouwen opvangt in de hal van de school en samen met hen en haar eigen kinderen de bammetjes eet. Sporadisch werd er op cup-a-soup getrakteerd. Ik zat daar dan in een hoekje verstopt in het boek dat Hoefnagels me gaf. Dan las ik wat hij gelezen had, probeerde ik zijn groteske verhalende stem te herhalen. Soms kon ik hem vanuit de lerarenkamer zien kijken, luisteren, stiekem. Wanneer ik perongeluk zo vol van de zinnen mijn stem verhefte en een echte spreker bleek.
Tijdens de geschiedenislessen werkte wij niet met boeken, de meester vertelde alle oorlogsverhalen, bijbelse versen en wonderen bij hart. Hij gaf mij dan vaak de beurt, om het verhaal aan te vullen met verhalen van mijn opa's en oma's en wanneer het de klas meekreeg dan beloonde hij mij na schooltijd met een halfje van zijn koffiekoekje.
Hij las mijn verhalen graag. Over ruimtewezens en Russinen, over Franse meisjes en pratende paarden. Elke week een schriftje, elke week een glimlach.
Er bestonden geen nationale voorleesdagen in mijn tijd, het was vanzelfsprekend, dat vertellen en luisteren, dat spreken en gehoord, dan lezen en schrijven, wonderen van ongekend formaat.
Soms was ik te vroeg op school, en parkeerde hij nog bij de kerk, dan vroeg hij me, 'Wat lezen we vandaag Verduyn?'
Een boek was nooit echt gelezen, tot de kern met hem doorgenomen, een verhaal was nooit echt verteld tot hij al hoofdschuddend begon met lachen.
Met tijden wordt ik overvallen door een zenuwpezende angst vlak voor ik het podium opstap. Dan denk ik aan mijn eerste echte leermeester en vallen de zorgen van mijn schouder af, zoals een zware tas geen gewicht meer lijkt te bezitten op je, wanneer je deze in eigen handen neemt."

Sunday, January 19, 2020

Miss AM

"Amerikaanse dromen worden hier tot verhalen gedicht,
De cameras lopen mijlenver,
Of er nog opmerkingen zijn?
In de wandelgangen fluisteren ze,
"Ze is een slecht, slecht meisje."
"Ze is een nep, nep meisje."
En er gaat niemand winnen,
Zolang er oorlog leeft,
De flitsen stormen door de film blijft rennen,
Zo triest dat wij de stad met licht zichtbaar proberen te maken,
Maar de peertjes die eens zo karakteriserend,
Zijn al lang niet meer zo vanzelfsprekend als de armaturen,
Maar wie zou de weg nu niet verliezen wanneer ze geleid worden door blind geloof?
En wat dan nog als wij ermee wegkomen dat wij ons allieerden met den valse God?
Ik weet dat roem niet meer is dan een riempje dat de hond niet omgedaan ziet,
Wij kunnen niet praten wanneer je zo bent,
Even grillig en wispelturig als de verslaglegging,
Toch aanbid ik, mijn lief, mijn liefje, mij-ein lief,
En dit is ons thuis, hier zijn wij geborgen tot cultureel erfgoed dat nog leven geblazen in de kleuren van haar pilaren zal,
Dames en heren, roddelpers en gegaardigden, knoop de oren, gelieve,
Dat hij elk onbehoorlijk voorstel wel bewaren zal voor tijdens de lakens,
Hij neemt mijn hand, midden op straat, loopt mij terug naar huis, wij sluiten de wereld achter de deur,
Maar de stad, de stad roept altijd zijn naam, en er blijft gefluisterd,
In de wandelgangen blijft het een middelbare zonder kans op slagen,
Er is enkel het tegengeluid van cheerleaders,
Tot wij vergeten dat zij bestaan, tot onverschillig,
Hier worden Amerikaanse dromen gedicht door de onverdraagzaamheid richting onhankelijke stemmen,
Maar de aangewezen overlevers zullen altijd opstaan en doorgaan met bouwen."

G-vLL'n

"Er staat een stapeltje naast het bed te wachten, timide. Kan me nog herinneren de tijd, waarin geen internet en zonder tv. Ooit was het plafond kaal. Dan werd er gevloekt wanneer de batterij de zaklamp falen deed. Tot hij het peertje aan de fitting voldeed.

En toen was er licht.

Dag en nacht kon vergeten eindeloos werd er gelezen. Rolde door het bed van kaft tot kaft. Vloog door elk van zijn favorieten op een eigenzinnige draf. Er bleef geen bladzij onaangeraakt. Tot hij langzaam maar zeker, te lezen was. Tussen de zinnen door.

En toen was er liefde.

At graag appels als kind. Wist dat ik het niet pakken mocht. Maar de schaal was precies binnen handbereik. Had beter Eva geheten. Zo spendeerde ik mijn dagen met de achterkantjes van appels eten, ze zo weer terug te plaatsen dat de vrouw des huizen in de illusie leefde, dat er geen speeksel aan kleefde.

En toen was er verraad.

God zag dat er gespeeld met vuur. Het waren niet de vingers die gebrand. Het is nooit zo simpel. Comorbide levende met ons hart. De grootste straf. Een tweedeling tussen wat een mens weet, en wat een mens weten kan.

En toen was er niets.

Er leeft een doosje tussen de dubbele rijen van de Kallax. Gevangen tussen woorden van ooit en stof geval. Daar staat het geschreven alsof het gesproken. Maar niemand las, wat niet bezorgd genoeg kon.

En toen was er twijfel.

Soms ging de lamp uit. Leek het peertje warmte te schijnen. Soms werd het ingewisseld voor een zaklampje dat nog altijd schuchter flikkerd. Dan wordt de Bijbel der Kleurlozen gelezen en lijkt het even alsof niets veranderd.

En toen was er vloedde.

Het stroomt en overstelpt. Zoals ooit afwasmiddel geschikt leek toen elk ander ontbrak. Zij overliep sinds ik te dromend, altijd in verleden of toekomst. Nooit bewust de trap op draafde. Het water niet opmerkte tot de reserves in de kelder allang verdronken en met de buik omhoog.

En toen was er hoop.

Dat een buik vol van gemis voldragen kan. Dat zorgen gebaard kunnen en opgroeien zullen tot kinderlijke naïviteit. Dat niets prematuur in lessen. Leven bekentisvol betekend. Dat een buik vol van verdriet ook vruchtbaar. Tranen vliezen breken. Tot de kern geui't."

X


"Het is als een huid waarvan we ruien. Die langzaam loslaat omdat nadat de grote teen te groot een gaatje in het geheel en de rest er heel langzaam al splijtende vanaf schuurd.
Normaal zal het nooit worden.
Soms kriebelt het, of is de jeuk zo immens, als een fantoompijn naar het vorige leven.
Een dejavu van het verlangen dat ooit brandende en met tijden in het zwakke moment nog nasmeuld.
Maar ik wed, dat wanneer jij savonds op het beste hoekje van de bank neervleidt, de Glenfliddich inschenkt en de schimmelkaas uitpakt, dat deze voor het eerst geroken wordt, voor de verwaarlozing waarmee voor lief genomen, dan slaat de vuist op tafel wanneer niet langer te ontkennen, en niet meer vanzelfsprekend de smaak van verloochening geslikt wordt.
Dan zal er gepulkt worden aan de vingers, velletjes zullen beknappeld en afgetrokken worden.
Het is niet van vandaag op morgen, daar is het hart, te hard voor. Het is als een huid waarvan we ruien. Tot zij op een dag, niet langer bestaat."


Is it?

Droom van de week

"De hemel kletterde naar beneden. Met heidenen tegelijkertijd. De hoorns doorboorde autoruiten en sloegen terracotta bloempotten kapot. God lag met opengereten wenkbrauw languit platgeslagen in het steegje. Niets was meer wat het leek. Zo monotoon als het leven kan klinken wanneer geproost wordt op degelijkheid zonder kaasje of worstje verzegeld. Werd het plots een staat van zijn, gegeven. Mens, God en geduivelde liepen een bar binnen. Compleet ontdaan. Zegt God tegen de bartender, "Schenk er mij maar een van mijn bloed." En liet de armzalige kastelein van perplexie zomaar dood neervallen. Lucifer schatert dat hij lacht, hij komt helemaal niet over, als iemand die echt uitgebrand is. Zo zitten zij daar. Zuchtend. Van geen goed en geen kwaad bewust. Mens schenkt drie perenlikeurtjes in. Er zal gedronken worden, verdomme. Zij spreken over kinderen en ouderschap, over natuur en de aandrang over het verlangen en de tergende traagheid waarmee leven ooit, tot zij niet langer mee. "Het lijkt langzaam op de klaren" wijst Andreas. Maar de gasten verliezen kleur met elke mistbank die verdwijnt en het weer terug geeft aan de horizon. "Blijf nog even hier," roept hij al evens, maar nog tijdens het schenken van de laatste ronde, verlaten zijn vrienden hem zonder opkijk of ommekeer. Mens, denkt Andreas, terwijl hij ze een voor een omver gooit, je had hem nog moeten vragen of Luci het nummer van je psych wilde. Zo veel verloren zieken, met de ziel onder de arm of die van andere dragende over de schouder. Hij zucht. Wenst opdat de regen zijn vrienden nog eens wil hemelen. Mits er drank is, een man en zijn God, een man en zijn verleidingen spreken nooit zo vloeiend als wanneer het rijkelijk vloeit van spraakwater op 'n eerlijkheidskweekje."

Ruiters

"De eenzaamheid van de nacht verbleekte wanneer zijn lip al strakgetrokken langzaam tot glimlach krulde in de slaap.

Soms, zoemt zijn snurk als een atmosferische storing door het landschap van mijn dromen heen.

Dan, lijkt het borstbeen nog machtiger dan tijdens de daad, zet deze kilometers ver strekkend uit en klapt weer in, dan doet hij mij denken aan de leegstand van de V&D en hoe dat hij ooit, opgeblazen zal.

Het verlies verstopt in het duister lijkt de kamer voorbij te sluipen wanneer hij al mijmerend met de kussens en het perzik ruikende nog handdoek vochtige haar speelt.

Soms, geeft hij zich over wanneer de waak op zijn verst, dan vleien de handen zich als die van een dame klaar voor ontvangst van het grootste genot.

Dan, dansen zijn benen door de nacht en geraken alle lakens abrupt verloren aan de vliegensvlugge voeten.

Het beangstigende aan de slaap, leek jaren, dat wanneer een mens dan van nature onbewust ademt, het hart vanzelfsprekend slaat, en dromen doen ontstaan zonder weet, tot weer wedergekeerd, dat dus ook, van nature en zonder enige weet, gestopt zou, overlijden zou, de dood, binnen zou kunnen kruipen van onder het dekbed langzaam, van tenen tot kop, het lijf van de ijzige kou zou voorzien.

Maar, de warmte, houdt mij nachtenlang wakker, in elk gedraai en gebrabbel dat hij predikt tijdens. En ik, geloof, dat de avond niet meer zo erg, de nacht niet meer zo eng, wanneer de dekens gedeeld met."

X

"Hij rende naar binnen. Met een ongemakkelijke noodgedwongen haast. Zei dat de worstenbroodjes over en te veel. Terwijl het niet. Stopte mij zo stiekem zonder dat zij het zag nog een geeltje toen in het vuistje. Durfde mij niet aan te kijken. 

Zei naar zijn te grote schoenen starend, "zorg er goed voor, en jij ook. Jij ook." 

Zijn blik deed mij denken aan de eerste dode die ik zag. Het was een oudoom van mijn grootmoeder, hij was zijn leven lang met het circus rondgetrokken. Een ongelukkige clown. Had hemzelf van kant gemaakt ging het gerucht. Het gas was vergeten uitgedraaid. Ze speelde de liederen 'de toebadoer' en 'hij was maar een clown' mensen huilde krokodillen tranen en waren treurig gekleed. Sommige juist in volledig kostuum, compleet neerslachtig. De wereld klopte niet, er was geen blik op te werpen, die inzicht op te leveren leek. Zo keek hij naar zijn schoenen. Alsof hij de man, die straks in de kist, zo dood als een pier, nog steeds lichtelijk levend, lijkend.

'n prater is hij nooit geweest. Neemt mij nog eens vast. Draait abrupt om, neemt oma bij de arm op weg naar huis. 

"Ga maar, de bus. Ga maar, voordat je..."

Met twaalf worstebroodjes bepakt zet ik de reis door. Eet er iedere dag eentje. Proef de mix van noodmuskaat en gedroogde peperkoek vermalen met het gehakt. Snuif thuis in en proef de heimwee over mijn tong heen glijden tot de tranen weer weggeslikt. Hij wist het. En hij wist dat ik wist, dat hij het wist.

Wij hebben er nooit over gesproken. Zijn teleurstelling was voelbaar maar zijn zorgen altijd nog aanweziger dan. De gesprekken gevuld met lange stiltes en het eten van roze koeken. Een mens weet niet wat het verliest, tot het al verloren is. Soms belt hij, dan kaart ie, steek ik 'n sigaret op, hij praat met haar, ik luister, en wanneer antwoord ontbreekt, adem ik luidkeels uit en trek ik nog een hijs, precies zoals zij zou, wanneer ook zij geweten had."

(fragment uit: 'Vrouwen die broeken dragen, en andersoortige met uitsterven bedreigd.")