Sunday, November 25, 2018

X

"De man loopt de kamer in. Anders. Niet zoals eerst. Echt anders. Nu, met het grootste gemak van de wereld. Maar toch, nu, ook, met de zwaarste last van de wereld. Dat je hoe een mens de kamer in stapt door en door kunt kennen, zoals je hen kent, het hart, de ziel, het doen het laten, de eigenzinnigheid in elk van zijn gebruiken. Tot, hij, veranderd. En al ken je hem binnenste buiten, je kent hem nooit compleet. En al ken je hem in al zijn compleetheid, dan nog zijn wij vormloos zo vast in het veranderlijke.
De man loopt de kamer binnen. Met overtreffelijke trap. Steeds vaker met de grootste vanzelfsprekendheid een zoen vergezeld met 'dag schat', en de grootste vanzelfsprekendheid telt nu dan toch werkelijk 'n keer of acht. Zo vergankelijk als zijn rotsvaste persoonlijkheid, zo ook het genot van de simpliek, zij wordt enkel met volle teugen en jaren per slok gewaardeerd wanneer het branden in de keel van een goed glas kwam, en niet van de weemoedigheid, nogmaals, te moeten, zullen, spreken over.
De man. De man stapt de kamer binnen als een klein kind met gigantische grijnzende zowaar bijna opgekrulde rechts- en linkerkant. Ik slaak een zuchtje. Kijk, vandaag is een goede dag. En als morgen een slechte is, dan weet ik dat het gistere beter was, dus weer beter gaat zijn. En als morgen een zware is, dan weet ik dat het gistere lichter was, dus weer beter gaat zijn. En als alles voor niets lijkt geweest te zijn, dan fluister ik mijzelf toe, dat er dan ook niets is om de weg tegen te houden, zoals hij altijd had moeten lopen.
De man loopt de kamer in.
Dat de deur daarvoor altijd open moet, gevraagd wordt om, open zal wezen, en met meer dan, gevuld, weer dicht zal gaan. Dat een open deur gezien moet worden als opening. De man loopt de kamer in, en ik, glimlach, want ik ben, hier, helemaal weg van."
Post a Comment