Thursday, September 6, 2018

X

"Zij dopte graag boontjes. 
Had ze maar eerder bedacht dat een mens beter haar eigen boontjes kan doppen.
Dan die van een ander.
Stel je voor...
Dat ze niet uit hun doppen kijken.
Nooit beseffen.
Dat ze enkel voor spek een boontjes leefde.
Tot ze gedopt werden.
Misschien dan, dat boontjes dopper zijn, minder om het snijdende en meer om de bevrijding van, het open tot in de kern, zou gaan.
Maar men weet het nooit...
Als zij niet blijven voor de maaltijd.
Laat staan de mosterd brengen. 
Zij dopte graag boontjes.
Ging de liefde van de man maar door de ogen in plaats van de maag.
De ogen, zijn altijd groter.
Groter dan de grootste honger.
Zonder seundjes of twijfel.
Was hij maar een liefhebber van bloemkool geweest, dan spoelde ik hem altijd in onschuld schoon.
Of was het maar een hapgrage stamp eter geweest, dan husselde en hutste ik tot de textuur een perfect mix.
Was hij maar een snoepkont geweest, die niet genoeg kon krijgen,
Dan zou hij boontjes met suiker krijgen...
Zij hield van doppen, boontjes én ogen, weinig ontmoetten die twee elkaar in vol licht. 
Maar het doet er niet doe.
Zolang ik maar zie, weet, voel, dat gedopt zijn altijd gedopt blijft, eenmaal ontdaan van kan een boontje nooit meer ontdopt zijn."
Post a Comment