Thursday, December 7, 2017

X

"De morgenster is al decennia verdwenen,
Wij bidden tot een god waar wij niet in geloven,
Het belet de hoop tot mens over zondaar veroordeeld te worden niet,
Mag mijn beul, de smeekbede horen, de knoop zo vervaardigen dat het als de flits is,
Ik kan me haar nog herinneren, van vorige levens, dwalend door de stad, de ruïnes observerend, een van hen, op zijn minst, moet toch een schuilkelder voor een kind hebben?
De man oppert dat dit het laatste was, ik hoor hem spreken over de hoop die verloren is, hij reikt uit naar zelfdoding, blijf haar forceren maar slaagt er nooit in troost te vinden, wist het maar, zijn lijf, dat hij al eeuwen geleden stierf,
Eenmaal stond ik met mijn oren gekluisterd tegen het sleutelgat, zelden heerste hier stilte, zij discusseren over wie er eerst de dood in gejaagd moet worden, zij of het kind, het maakt ze niets, eigenhandig dwingen zijn mij met de vinger de veren een voor een uit mijn vleugels te trekken, 
Hoeveel bloed moet er nog vergoten worden?
Kruipend zoekt zij naar een kelder, zo lang het maar donker is, zo lang zij mij maar niet kunnen zien, ik zal de storm overleven, het duister kan mijn licht niet kapot schijnen,
De vrouw weent in de verte over het verlies van haar kind, schreeuwd moord en brand maar lijdt er zelf niet onder,
De brandstapel is gereed,
De katten die ik kende, dachten altijd in het nauwe gedreven te zijn, rare sprongen ik zweer je, de krassen op het hart,
Toch klopt zij aan iedere deur van huizen met een dubbel slot,
Wanhopig vraagt zij iedere kier, is dit de weg naar mijn hart?
Meneer, deurwaarder zeg me dan, waar is het huis van de architect?
Zijn handen, ik heb zijn handen nodig, mijn balken moet harder, ik smeek je laat me in, het storten, breekt de kamers van mijn hart tot onbewoonde spookstad, leer mijn vingers, ik doe alles, als zij maar leren aan te raken wat er nu werkelijk thuis aan is."
Post a Comment