Monday, December 11, 2017

X

"De ramen, de ramen lijken oud te zijn geworden, als je ogen, glazig starend in het niets, naar daar wij zij op berusten,
Zo nu en dan sluimerd de wind langs haar af, zachtjes beweegt het kant met de meest geraffineerde zuchtjes mee, elegant als zij altijd was, de kieren dichten wij met handdoeken maar het mag niet baten, de kou komt altijd terug,
Ik weet dat ik hoopte op sneeuw, maar liefste, de lente, ik vergeet altijd de stille streling van het zachte, de vingertop alleen langzaam langs de wervels af, waar geen haast is de nood aan kippenvel niet langer leeft, en zij toch zo nu en dan haar gemis aan dichtvallende ogen in je warme handen toont,
De eerste vlokken houden stand, de grond wordt sluimerend wit, huiverend staart zij door de glasgordijnen heen, het is zo ver, het is tijd, morgen mag ik naar buiten,
Zij kijkt glimlachend over haar schouder, verteld in het honderduit, het litteken jeukte, ik zei je toch het gaat vriezen en de sneeuw zal komen,
Gelijk aan de tijd vallen zij een voor een neer, raken elkaar aan of verliezen hem, haar uit het oog, maar toch altijd zonder twijfel, nog levend in een geheel,
Het groene verdwijnt door sneeuw voor de zon, zij kleurd grauwig wit, als wanneer ik bezorgd ben over je dag, dat streepje onder je ogen dan, een riemeltje van je jukbeenderen dat zich toont, alles komt goed, het komt altijd goed, 
Zijn hand trilt op zijn been, hij zit vrouwelijk probeerd het te verstoppen in de nauwsluitendheid tussen zijn benen, ik pak de hand, door de kou en het leven geschaard, kus haar iedere millimeter, ik vlei mijn wang langs zijn grillen af, huiver maar niet mijn hand, en als jij bang bent, dan zeg ik niets, ik neem je mee naar dromenland, stil maar mijn hand, ik hou je toch altijd, vast."
Post a Comment