Thursday, August 9, 2018

X

"De mist als met penseelstreken van waterverf over zijn ogen gesluierd. 
Stilzwijgend. Starende. Flauwe glimlach tekenend in een vage lijn vanaf de lip met de schuine streep. 
Alsof het al uitgegumd werd nog voor het er daadwerkelijk stond.
De mist als een magie bevattende nostalgische omhelzing in de onzichtbare ruimtes, de open plek, in het verscheurd zijn van het hart.
Een regendruppel voor elk van zijn verslikte, verstopte en opgekropte tranen. Ja. Ja, loop maar. Val maar. 
En als je valt, dan vang ik je zo goed ik kan, zo zacht ik kan, zo lief ik kan, op, of vallen wij samen, handvasthoudend, voeten kussende, gekluisterd.
De mist om zijn ogen verteld mij stilletjes, angstig, dat de geur van herfst midzomer onze zonnestralen tot bitterzoet zal kleuren.
Geef me tijd. Met tijd zal de man, de lip, de blik in de ogen én de lucht weer als honing, vers fruit, en de suikerspin kietelende zoetigheid over de tong glijden.
Zijn hand streelt trillend de regenwolken geklonterd in mijn wimpers weg, het is al goed, de ogen zijn prima, ze zijn gewoon gelukkig, zo zag je me, hij slikt, niet vaak.
Wij wuiven nog van afstand, zenden kusjes de lucht door over werelden van afstand, happen naar lucht alsof zojuist in een aanraking de adem verloren was, maar zij, smaakt anders, wanneer hier je uitademen niet langer langs mijn gezicht ligt."
Post a Comment