Monday, October 22, 2018

Did I mention that I miss you?

Het was een doodnormale dag, zoals alle doodnormale dagen zijn. 
Was dit een logboek geweest dan had ik "geen bijzonderheden" geschreven...
Maar dat was het nu net, de pracht schuilde juist daar in het ontbreken van. 

18 augustus 2017

Ik mis je niet. Je bent gewoon, een gewoonte. 
Ik mis je niet. Je bent gewoon, een gewoonte. 
Ik mis je niet. Je bent gewoon, een gewoonte. 

Maar alle overtuigingskracht van de wereld. 
Alle wil te geloven dat.
Alle verplaatsen door, afleiden met en vermijden van...
Heeft niets, op het gemis. 
Niets, op jou. 

De laatste weken al, waren woorden lege omhulsels van ooit betekenisvolle gevoelens gebleken. 
En als zelfs, woorden, haar in de steek lieten, dan moest zij toch, uit haar doen zijn... Op zijn minst?
De dagen dwaalde als de geregelde dronk die precies op schema om 2:11 de Hoogste Tijd met de juiste tijd verlaat. 
Wij slenterde wat rond door de stad. 
Het lege gebouw dat ooit de V&D was geweest, deed me aan jou denken. 
Zo prachtig in de staat, een monsterlijke bouw die je de illusie van veiligheid verschafte, maar de leegte...
Alle kwetsbaarheid verstopt in hoe achter het glanzende folie dat de ramen, of jouw ogen, doet verhullen voor wat daarachter verschuilt, een leegte zonder einde, een doelloosheid, een ongerept gemis aan. 
Het begint te regenen. 
Midden augustus. Toch, schuilen is geen optie maar een noodzaak. 
Zo staan wij daar. Zitten. 'N tijdje. 
Hij praat, ik praat, langs elkaar af. Zo tegen de schouder van de ander leunende. 
De weg naar het station, leek wel kilometers, met dit weer. 
Hij praat over hoe het zou zijn geweest. Wat hij allemaal zag gebeuren. Hoe hij je kent.
Maar ik herken de man die hij beschrijft niet. 
De woorden zijn leger, dan de woorden die overbleven, betekenislozer dan twee die zichzelf van de definitie ontdoen, onzinniger dan de simpelste zinnen die wij deelde. 
Zelfs je "Koffie?" had meer diepte, duisternis, doordringendheid en desolaat in zich, dan iedere eigenschap die zij achtte aan je toe te kunnen schrijven, alsof zij, van dezelfde man houden als ik. 
Was het maar zo plat geweest, dat er geen verschil zat in wie er betraand en nagels tikkende compleet naakt liggend op mijn bed in mijn armen besloten ligt en wie je bent wanneer iedereen kijkt. 
Ik hou van je wezen, wanneer je denkt dat je alleen bent, wanneer je schuwe Schuiler zich even van de muurtjes en poorten en gesloten doorgangen ontdoet, zijn lijkwitte huid voor een paar seconden in het licht der waarheid doet opleven én in een enkele seconde verbrand. 

De huid is niet zo dik. 
De man is niet zo sterk. 
De man is vooral bang. 
De man is vooral verwaarloosd.

Door hemzelf vooral. 
Door hemzelf het meeste.
Door hemzelf vooral. 

Met alle overtuigingskracht in de wereld. 
Alle wil te geloven dat.
Alle verplaatsen door, afleiden met en vermijden van...
Heeft niets, op het gevoel. 
Niets, op gemis. 

Wij lachen wat. Giechelend als twee veertienjarige tieners die voor het eerst een biertje dronken. 
Hij vraagt me wat erger was, je vinden... Of je verliezen?
Geen van beide. Geen van beide. 
Het ergste was dat ergens door alle jaren heen... Je ogen zoekende in ieder gezelschap.
Donderdagen om half elf een laatste kopje koffie inschenken en een sigaret aansteken wachtende op de bel.
Dat wraps en frambozen en bageltentjes en voeten aanraken...
Gewoon, gewoontes werden. 
Dat zelfs al zou ik me van de onlosmakelijke verbintenis kunnen ontdoen.
Ik er elke dag toch, voor koos, je gewoon in mijn gewoontes in leven te houden. 
Of op zijn minst, mijn liefde voor jou. 
Dat ik niet eens meer wist hoe een mens strategisch en zonder omwegen of getreuzel door een supermarkt loopt. 
Dat ik vergat wat een logische indeling van de keukenkastjes was.
Dat ik in mijn eentje, het dekbedovertrek nooit precies perfect genoeg over het donsdeken kan trekken.
Dat een muse hebben en inspiratie moeten zoeken zo'n wereld van verschil zijn. 
Dat gewoontes helemaal niet zo gewoon zijn, wanneer zij gedeeld worden.
Op zijn minst, in mijn liefde voor jou. 

De huid is niet zo dik. 
De vrouw is niet zo sterk.
De vrouw is vooral gebroken.
De vrouw is vooral verstoten. 

Door haarzelf vooral.
Door haarzelf het meeste.
Door haarzelf vooral.

Tegen alle beter weten in.
Tegen alle beter weten in. 
Wij weten niet beter dan wat wij voelen.
Het hart is altijd zeker van de zaak.
Wij kunnen niet meer dan vertrouwen.
Op het gevoel.
Het hart.
Wij weten niet beter dan wat wij voelen.
En toch...

Tegen alle beter weten in. 

Vertrouw ik hem toe dat ik vooral bang ben dat wij elkaar juist niet verloren zijn. 
Dat ik mijzelf angstvallig bevind in een relatie zonder grenzen dit keer, een relatie zonder begin en zonder eind.
Een relatie die enkel het toegeven, overgeven aan en laten gaan van, karakteriseert. 
Wij zijn niet gewetenloos, wij zijn geen slechte mensen, geen lafaards, geen leugenaars, geen criminelen.
Wij zijn enkel mens. Ook maar mens. 
Wij zijn een ongedefinieerd verlangen zoekende,
naar de vraag,
die de ander voor ons beantwoordde. 
Ik ben niet bang het antwoord te vinden.
Ik ben niet bang het antwoord te geven.
Ik ben bang de vraag eindelijk te stellen, en plots...
Een andere beantwoording te krijgen. 
Hij glimlacht een beetje. Zegt dat hij zich zeker vergist had in hoe sommige mensen, werkelijk waar als voor de ander gemaakt zijn, als het bewijs van 'lot' zijn, de grote allesoverheersende 'het kon toch ook niet anders dan...' bevestigen, twee 'moeten' zijn.
Ik zeg enkel, "ik weet."
Vraag me af of hij begrijpt dat het meer dan een inside joke is.
In duisternis en daardoor heen.
De maan, de maan en terug was toch nooit genoeg.

Hij probeert op te staan. Kan zijn balans niet houden. 
Dat is dan ook waarom ik hem tot Peter gedoopt heb. 
De regen is gestopt. 
De miezer begonnen.
Er ligt een nostalgische magie van glinstering over de klinkers besloten.
Hoe de regen haarzelf aan de weg hecht, is ongeëvenaard.
Wij slenteren door.
Langs eettentjes die al uren geleden gesloten waren.
Ik met jouw trui aan.
Hij in een t-shit.

Het was koud.
Heel koud.
Te koud. 

En wandelen leek als een onmogelijke overwintering.
Op de teneergeslagen na zomer avond. 
En wandelen leek op bergen beklimmen. 
Adem beknijpende, adem ontnemende en thans adem ruimte gevende.

Ik vraag hem een keer of drie of hij zeker weet dat hij mijn sjaal niet wil hebben.
Voor tijdens het fietsen, op zijn minst.
Hij blijft weigeren. 
Eigenwijs zijn we allemaal.
Wij kijken voor het oversteken, de weg is leeg, uitgestorven.
Het zebrapad telt vier voeten.
Hij stapt enkel op de zwarte stukken, het asfalt. 
De witte laag, is de mijne. 
Alsof wij kinderlijke spelletjes spelen om de zwaarte van het gesprek te kunnen vergeten.

Hij geeft me geld voor een taxi. 
Ik weiger.
Hij geeft me geld voor een taxi.
Ik weiger.
Hij geeft het geld aan de taxi.
Hij accepteert.

Een lang uitgerekte omhelzing die de longen doet verstikken noemen wij afscheid.
De man zou willen dat ik voor je zorg.
De man gaat nooit weten van de tranen.
De man gaat nooit weten wat hij mist.
Ik zucht.
De man zou niet willen dat je voor me zorgt.
De man zou willen weten van de tranen.
De man weet al jaren wat hij mist.
Ik zucht.
Hij wist niet dat het een zij was.
Een mens was.
Een hart was.
Hij wist niet dat het een eigen.
Een zelf.
Een noodzaak was.
Ik besluit hem toe, dat ik de man in een ding trouw ben.
De beloftes.
Onvoorwaardelijk kunnen geloven in de eerlijkheid van de ander.
Al bestaat de ander niet meer.
Ik vertrouw hem, als geen ander, ongeacht het weer.

Hij gooit de deur dicht. 
"Waar wil je heen?"
Vraagt de man met een zwaar accent. 
"Naar huis meneer, naar huis..."
"Waar is dat?"
"Dat weet ik ook niet meer."

En hij vliegt de wereld rond.
Stapt in en uit terwijl hij vier grenzen passeerde.
En hij stapt over de wereld heen.
Alsof het land, niet eens een wonder was.
Zo als een pluisje van de schouder geblazen kan worden.
En de man spreekt in vreemde talen.
Fluistert zo nu en dan een gedicht mijn kant op dwars door kilometers aan stormende lucht.
En de man spreekt in vreemde talen.
Alsof het niet is.
Maar de taal van onvoorwaardelijke liefde,
die spreekt hij niet.

Niet vloeiend.
Althans. 

Hij spreekt haar bloedend.
Verloederend.
Bemoederend.
Beangstigt.
Verkrampt.
Onmachtig. 
Hij spreekt haar brandend.

Hij spreekt haar vloeiend.
Althans. 

Zo lijkt het wanneer.
Wanneer het einde nabij is.
De dood in zicht.
Wanneer hij ontwaakt in zijn vaders graf.
Wanneer hij geboren wordt in zijn moeders wenen.
Wanneer hij een geest blijkt in de illusie van het volmaakte geluk.

Hij spreekt haar vloeiend.
Althans.
Wanneer hij wil.

De chauffeur is een stille man.
Zwijger.
Hij lijkt niet op je.
Maar mensen hoeven niet eens je evenbeeld te zijn.
Om mij aan jou te doen denken.
Hij zet me af op het hoekje. 
Rond het bedrag naar beneden af.
Zie je wel. 
Hij lijkt op je.
Denkt ook al dat hij minder waard is,
dan wat hij verdiend.

De remlichten die vertrekken veranderen in koplampen na de eerste afslag.
De koplampen verdwijnen in de nacht.
Enkel de brom lijkt nog in de lucht te hangen.
Of misschien hoor ik hem alleen,
omdat ik de directheid van toon nog niet los kon laten.
De waanzinnigheid van een vrouw die haar geliefde ontbreekt.
Dat zelfs een motor, als je stem kan doen klinken.
Het zoute van de tranen kan doen laten stromen.
En mij verhult in kippenvel.
Opdat het verdriet, verdomme toch, zo naar je zweet smaakt.

De gespjes gaan los.
De schoenen zijn bijna uit.
Blaren maken het zo moeilijk. 
Het opgezwollen zijn.
Dat het eindelijk niet de ogen waren, was een opluchting.
Maar de tenen toch, de voeten.
Zij hebben de voorkeur voor jouw handen.
Die mij van de overambitieuze verlenging bevrijden.
Ik probeer mijn eigen wreef te kussen.
Moet bekennen dat ik dagen telde waarop veerkrachtig zijn,
meer over persoonlijkheid leek te zeggen,
dan het ontbreken aan flexibiliteit.
Dan maar half langs mijn schoenen lopende naar de deur.
Wie geeft het...
Wanneer jij er toch niet bent om mij op mijn plek te zetten.

De lift naar de eerste nemen,
het zou een luxeprobleem moeten zijn.
Een bespottelijke eigenschap.
Maar nooit, voelde het anders,
dan een tot de grootste hoogtes reikende hel.

De hal is niet minder zwaar.
Lijkt een eindeloos lange weg zonder je vertellingen.
Maar de deur, de deur is het zwaarste.
Hoewel zij naar binnen draait, lijkt zij mij altijd een klap in mijn gezicht te geven,
wanneer jij niet na mij naar binnen stap om het licht aan te knippen,
langs mijn wang te strelen,
en mijn voorhoofd kust.

Het is zo donker.
Zo donker en koud.
Dat een vrouw, laat staan een meisje,
toch bijna zou vergeten,
dat het licht belangrijker is dan de lamp.

De rits is zo moeilijk te openen als enkeling.
Dat jij een meervoud aan handen was.
Dat jij meer vast hield dan je lief was.
Dat ik wou dat handen in elkaar konden vergroeien.
Zodat loslaten geen mogelijkheid was.

Met de achterkant van de soeplepel rijg ik het haakje door het oogje.
Ik glunder wat.
Mijn liefde voor huishoudelijke objecten.
Al spelen ze vaak je rol.
Verschijnen en verdwijnen zij met het grootste gemak.
Al schijnen zij even gemakkelijk als jou mijn thuis met alle gemakken te voorzien.
Ik zag je liever, dan dat ik aan je dacht, dat denk ik zo.

Ik laat mijzelf zo galant mogelijk als een onhandige kluns dat kan, op het bed vallen.
Niet zo heel charmant dus.
Maar dat maakt ook weinig uit, nu er hier toch geen toeschouwers zijn. 
Nog niet eens meer een zwevende kat in de lucht met gele ogen. 

De nachten. 
De nachten duren het langst. 
De drammende dwalende hengsten die voorheen merries schenen te zijn,
zij bekronen de slapeloze uren,
tot het dal der bestaan.

Er zijn, geen handen hier.
De grote machtige streling van een warme troost, ontbreekt haar.
Er is, geen veiligheid meer hier.
De thuishaven, lijkt enkel nog een aanmeringsplaats voor verdwaalde zielen, nu hij, het schip mee, uit, varen nam.
De kippenvel, de honger, er is niet meer zo veel over hier.
Op gebruikssporen na.
Elk man, of manneke, dat hierna zijn anker zou willen uitgooien,
zal zien dat het koopwaar, zeker,
niet meer zo goed als nieuw is. 

Het gesteiger in de nacht. 
Als ontwenningsverschijnselen. 
En toch went het niet. 

Ik weet niet zo goed. Of ik je ooit zei, dat ik je miste. 
Maar, ik mis je. 
Meer dan ik toe wil geven. 
Meer dan ik ooit zou kunnen verwoorden.
Meer dan een mens zou moeten kunnen mogen missen.

En had ik je ooit gezegd dan, 
tussen toen en nu,
dat ik je mis?

Mijn pogingen die beginnen met "ik" en eindigen met "weet niet precies hoe ik me voel",
"ben heel raar vandaag", "voel beetje ontdaan mij..."
Zeggen toch altijd hetzelfde...
Ik mis je, ik mis je meer, ik mis je meest. 

Ik rol mezelf in de drie dekens alsof ik een ademende burrito ben. 
Ik ben bang, zo bang, het nog kouder te krijgen...
Ben ondertussen als de meest secure boetseerder van het kussen gerei in bed.
Drie zijn er nodig, om te doen laten lijken, dat jij hier naast me ligt. 
Een arm onderdoor een half overheen op de snijlijn van de borst. 
Mijn hoofd neerleggend op de twee overlappende punten, tijdens mijn slaap zou ik toch zweren, dat het net je schouder is. 
Maar als ik wakker word, iedere sloop te veel, is een herinnering, aan de ruine.

En had ik je ooit gezegd dan?
Dat ik je... Dat ik je...

Dat ik een zwakke vrouw ben.
Nooit ambieerde een sterkere te worden.
Dat ik een zwak hart heb.
En mijn hart een zwak voor jou heeft.

Dat ik een eigenwijze vrouw ben.
Nooit wilde toegeven dat ook ik, nodig, in mijn mond zou nemen.
Dat ik een ondoordringbaar hart heb.
En mijn hart toch, alle ramen en deuren voor je openzet,
hopende dat je binnen komt waaien, 
in het midden van de storm.

Maar een oog, is niet als de ogen,
en al was het dat wel dan oogde het voor mij,
alsnog niet als de ogen waarop de mijne willen berusten.

Had ik je nooit gezegd dan...
Dat ik je mis?

In een enkele seconde, verkruimeld mijn wereld.
Valt het koninkrijk, breekt het huis dat nooit gebouwd werd.
En zomaar, liep mijn leven het onze uit.

En ik had niet eens gezegd,
Dat ik je miste,
Tot het gemis vanzelfsprekend onnodig te benoemen werd. 









Post a Comment